Inspiratiebron voor schrijvers

De één kiest voor een biografie, die ander voor een jeugdboek, maar schrijvers delen hun adoratie voor Cruijff.

‘Jopie hield zielsveel van Pasen’ staat er in het boek dat journalist Bert Hiddema over de jonge Johan Cruijff schreef. Dat had vooral met het Paasvoetbaltoernooi te maken, legt Hiddema uit in wat met recht een jongensverhaal is. Inclusief de dood van vader Manus Cruijff, bij wie Ajax altijd fruitmanden bestelde als er een zieke in de club was. Het boek (Hiddema schreef ook een boek over Cruijff in Spanje) eindigt met, of eigenlijk in, de WK-finale van 1974 – meteen na de benutte penalty van Johan Neeskens stopt het verhaal: een moment waarop achteraf heel Nederland te tijd wel stil had willen zetten.

In de jaren rond 1980 kreeg Johan Cruijff in Nederland een slechte pers, hij heette een geldwolf te zijn. En zijn acties op het veld voltrokken zich buiten het gezichtsveld van de Nederlanders, in de jonge, Amerikaanse profcompetitie. Journalist Pieter van Os reconstrueerde de tijd van Cruijff bij de Los Angeles Aztecs en de Washington Diplomats. Inclusief de momenten dat de grote Cruijff zijn minder getalenteerde ploeggenoten het bloed onder de nagels vandaan haalde door zijn eeuwige kritiek. Sonny Askew: ‘Opeens kon ik er niet meer tegen. Dat eeuwige gezeik […] Ik vloog hem naar de keel. Mensen moesten ons tegenhouden. Nou, laat ik eerlijk zijn, meer mensen waren bereid mij tegen te houden dan Johan.’

Nadat hij definitief was gestopt als trainer en veelvuldig ging optreden als voetbalanalist op televisie, trokken het taalgebruik en de aforismen van Cruijff steeds meer aandacht. Henk Davidse maakte de eerste van vele verzamelingen: ‘Voordat ik een fout maak, maak ik die fout niet.’ En: ‘Om te beginnen is er maar één bal en die moet je dus hebben, maar waar het dus in wezen om gaat is: wat doe je met die bal?’ Maar ook, eigenlijk mooier, uit 1989: ‘De dag waar ik naar uitkijk zijn de maandag, donderdag en zaterdag, de dagen dat ik mee kan doen in de kleine partijtjes van zes tegen zes.’

Schrijver Jan Eilander maakte een geromantiseerd jeugdboek over de Betondorpse jeugd van Johan Cruijff: een klein jongetje dat onophoudelijk op straat voetbalde met zijn vrienden Leo en Rolf; een jongen van wie de jeugddroom wél uitkwam. Geprezen om de couleur locale, onder meer van het inmiddels afgebroken stadion De Meer: ‘Johan staat met zijn neus voor de hoofdingang van het stadion, een groot gelig gebouw met op het dak vier houten, vuurrood geverfde letters: ajax.’ Binnen mijmert het kind voor de kolossale prijzenkast, niet wetende hoeveel hij zelf nog zou bijdragen aan het verder aanvullen van de verzameling trofeeën.