In Rawagede was de rivier rood

Minister Koenders van Buitenlandse Zaken was vrijdag op bezoek in het Indonesische dorp dat vroeger Rawagede heette. Want Nederland moet naar zijn geschiedenis durven te kijken. „Rawagede is echt een zwarte bladzijde.”

Minister Koenders (rechts) op bezoek bij de nabestaanden van de tijdens de ‘politionele acties’ vermoorde mannen. „Ik heb iedereen vergeven.” Foto BAY ISMOYO/AFP

Excuses. Mijn diepste medeleven. Wat verschrikkelijk. Een wandaad. Verkeerde kant van de geschiedenis. De eerste Nederlandse minister die een van de donkerste plekken uit de Nederlandse geschiedenis van dekolonisering bezocht, schuwde geen deemoedige woorden.

In een bloedheet open zaaltje op de hoek van de dorpsstraat in Rawagede, (tegenwoordig Balongsari), op West-Java was vrijdag minister Bert Koenders (Buitenlandse Zaken, PvdA) te gast. Hij praat met Rasem, een vrouw wier man door soldaten van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger in 1947 werd geslacht. En hij spreekt een paar minuten de zonen van mannen die door de soldaten op die negende december standrechtelijk zijn geëxecuteerd omdat ze niet wilden vertellen waar een belangrijke onafhankelijkheidsstrijder zich schuilhield. Koenders zit gebogen met ellebogen op zijn knieën om de gerimpelde mannen te verstaan.

Later strooit Koenders bloemen op het ereveld van Rawagede, en aanschouwt hij de levensgrote poppen die de massa-executie van zeker 400 mannen ensceneren. Door het bekraste plexiglas ziet hij blanke mannen die wijdbeens over de bloedende lijken van kleinere Indonesiërs staan. De gids legt uit dat er internationaal lof is voor het realiteitsgehalte van de maquettes. Koenders knikt met een serieus gezicht.

Buiten dartelen kinderen. Ze hebben geen idee wie die boomlange man in dat witte hemd is, noch hoe anders zijn opstelling is dan die van voorgangers. Hij benoemt de misstanden niet om vervolgens vooral te reppen over „de gezamenlijke geschiedenis’’, zoals Frans Timmermans in 2013 deed. Koenders praat ook niet alleen over de forward looking relationship 2.0 en zijn liefde voor nasi goreng, zoals premier Rutte in datzelfde jaar deed op bezoek in Jakarta. Koenders: „Nederland heeft vaak een mening over de geschiedenissen van andere landen. Het is belangrijk als lid van de regering te laten zien dat Nederland ook naar de eigen geschiedenis durft te kijken. Rawagede is echt een zwarte bladzijde.”

Een bezoek aan Rawagede is ook veilig: de scherpste randjes zijn eraf. Twintigduizend euro schadevergoeding per weduwe is uitgekeerd, formele excuses zijn door toenmalig ambassadeur Tjeerd de Zwaan in 2011 gemaakt.

Exces of structureel geweld?

Maar intussen zijn er meerdere plekken in Indonesië waar onderzoekers, zoals advocaat Liesbeth Zegveld en Jeffry Pondaag van Stichting Comité Nederlandse Ereschulden, nieuwe feiten bijeen sprokkelen. Zij willen aantonen dat wat in Nederland de ‘politionele acties’ genoemd worden, een oorlog was met duizenden burgerdoden door executies, brandstichting, bombardementen en verkrachting. De cruciale vraag is altijd: waren de misdragingen excessen of was extreem gewelddadig optreden tegen burgers de norm? Meer wetenschappers zijn overtuigd dat het geweld wel degelijk structureel was.

Koenders wil in ieder geval dat er meer onderzoek gedaan wordt. „Ik denk dat er nog een heleboel te doen is. Dat zou samen kunnen met Indonesische instellingen. Moet de overheid dat doen? Dat moeten we nog bekijken.” Daarmee gebruikt Koenders zijn Indonesië-reis niet als platform om op te roepen tot een grootschalig onderzoek gelast door de overheid. Met zijn uitspraken en bezoek aan Rawagede lijkt hij het wel in de week te leggen.

In Rawagede wordt weinig belang gehecht aan zo’n diepgravende exercitie. De jeugd ziet het ereveld vooral als fijne plek om op deze vrije dag in de schaduw toneelstukjes te oefenen.

Ook de 90-jarige Rasem ziet er weinig in. Ze weet nog precies hoe zij het ene moment naast haar man Sakum lag te slapen en hoe zij hem het volgende moment kwijt was. Hij werd door soldaten het huis uitgesleurd en vermoord. „De rijstvelden en de rivier waren rood van het bloed”, zegt Rasem. „Het is heel fijn dat die Hollandse minister langskwam. Ik heb iedereen al vele jaren geleden vergeven toen nog niemand van deze zaak een punt maakte.” Na de onafhankelijkheid maalden de Indonesiërs niet om weduwen zoals Rasem, net zoals de huidige Indonesische politieke elite geen zin heeft om de eigen wandaden (zoals: de communistenjacht van 1965, Oost-Timor, Papoea) uit te pluizen.

Rasem woont nog steeds in een smerige hut. Wat er met de twintigduizend euro schadevergoeding is gebeurd, weet ze niet. Haar dochter zegt ooit driehonderd euro te hebben ontvangen. Wie welk geld heeft gekregen en hoe het is uitgedeeld, blijft schimmig. Of het dorpshoofd en de autoriteiten haar onder druk hebben gezet het af te staan, wil ze niet zeggen.

Haar man werd in 1947 door Nederlandse troepen geëxecuteerd. Zeventig jaar, en veel diplomatieke ruzies en verzoeningen tussen Nederland en Indonesië later, is Rasem nog steeds straatarm.