Hoe Cruijff door Danny beter ging overspelen

Nico Scheepmaker, vermaard sportjournalist, beschreef Johan Cruijff als een fenomeen, op een toon van ironische verering.

Het bekendste boek over Nederlands grootste sportman is ook het klassieke Nederlandse sportboek: Cruijff, Hendrik Johannes, fenomeen van Nico Scheepmaker (1930-1990). Hij schreef het boek in 1972, toen de tweede Europacupwinst van Ajax duidelijk had gemaakt dat we daadwerkelijk met een fenomeen van doen hadden.

Scheepmaker haalt alles uit de kast om dat fenomeen te begrijpen. Niet zozeer door biografische bijzonderheden (Betondorp speelt een ondergeschikte rol), maar vooral door Cruijff op de meest uiteenlopende manieren te bekijken op een toon van ironische verering.

Natuurlijk is Scheepmaker het archief ingegaan om het wedstrijdverslag van Cruijffs debuutwedstrijd op te zoeken, waar hij stuitte op de zin: ‘Ajax had Swart maar weer eens teruggeroepen en de achttienjarige Cruijff een kans gegeven, maar veel maakte dat allemaal niet uit.’ Veel maakte het allemaal niet uit – je zal het maar geschreven hebben over de belangrijkste debutant uit het Nederlandse voetbal. Op dat soort momenten toont Scheepmaker zich een voetbalarcheoloog, met een scherp oog voor de historische waarheid.

Vele rollen cijfer 14

Even verder druipt het boek van de zelfspot. Dan beschrijft hij de vele rollen van het cijfer 14 in Cruijffs leven, met onder meer het evident verzonnen: ‘Zijn rijbewijs eindigt met het getal 14: 327714. Zijn paspoort daarentegen begint met het getal 14: K 14226704.’

Je weet nooit helemaal waar de ernst is overgegaan in flauwekul, maar de bewondering van Scheepmaker is authentiek. En hij kijkt goed en precies naar de voetballer Cruijff, bij wie hij als een ware exegeet ‘Vijf Gulden Handelingen’ onderscheidt. Waaronder wat Scheepmaker gespeeld-wetenschappelijk ‘passeertechniek normaal’ noemt: ‘aan komen lopen, even inhouden, de tegenstander laten raden of hij buitenom of binnendoor zal gaan, en dan opeens verrassend buitenom!’

Prachtig is hoe hij een foto van het kopdoelpunt van Cruijff in de Europa Cup1-finale tegen Internazionale Milaan in 1972 beschrijft: ‘Johan Cruijff, de ogen strak op de wegvliegende bal gericht, de haren omhoog wapperend, de mond iets open, stijgt een meter boven alle anderen uit, alsof hij door God of anders wel door Koning Voetbal een halve seconde lang tussen Duim & Wijsvinger is vastgehouden, om wat gemakkelijker door het cameraoog te kunnen worden vereeuwigd.’

Elke pagina van het boek ademt Scheepmakers opwinding over het fenomeen dat hij onder handen heeft, terwijl in 1972 de grootsheid van Cruijff nog steeds onderwerp van debat was. Zo kreeg hij veelvuldig het verwijt dat hij te individualistisch was, waarbij Scheepmaker overigens de theorie introduceerde dat Cruijff na zijn huwelijk met Danny de bal vaker aan een medespeler gaf. De schrijver betoogt dat Keizer toch echt niet beter was dan Cruijff, maar ging ook zijn licht opsteken bij de grote voorgangers Wilkes en Lenstra.

Faas vond Cruijff geweldig, maar Abe was in een zuinige bui: ‘Hij kan een bal zeer behoorlijk in één keer meenemen. […] Hij kan een bal ook goed doodmaken, en hij is niet altijd maar soms wel gevaarlijk voor het doel. Al zie ik hem toch te vaak verdomd gemakkelijke kansen missen.’ Beckenbauer was een stuk beter, besloot Lenstra.

Gefingeerd interview

De Duitser komt ook voor in een van de treurigste stukken in het boek: het gefingeerde interview ‘op de vijftigste verjaardag’ van Cruijff, waarin Scheepmaker de held laat vertellen over ‘zijn hattrick’ in de WK-finale van 1974 tegen West-Duitsland: ‘Jij kent dat doelpunt natuurlijk ook al uit je hoofd.’ Toen hij het in 1972 schreef kon hij er geen idee van hebben hoe dichtbij Cruijff en Oranje twee jaar later zouden zijn (al wordt de wedstrijd bij Scheepmaker in ondergoed gespeeld, maar dat is weer een ander verhaal).

Bij latere drukken is Cruijff, Hendrik Johannes, fenomeen een paar maal uitgebreid, maar de eerste 200 pagina’s van het boek zijn het beste: bruisend van de originaliteit en de kennis – ook Cruijffs lievelingsboek Klop maar op ’n deur komt voorbij. Maar vooral is het boek met al zijn gekke gedachtensprongen en vrolijke dwarsverbanden een verhaal waarin Cruijff in al zijn aspecten springlevend naar voren komt. Troostrijker wordt het niet meer, dezer dagen.