In zaken zoals met Wilders kan de rechter niet onpartijdig zijn

Gerard Spong kritiseert de bekendmaking dat drie politiek ongebonden rechters op de zaak-Wilders waren gezet (21/3). Dat was ongelukkig, aldus Spong, omdat het feit dat zij geen lid zijn van een politieke partij niet impliceert dat zij er geen politieke opvattingen op na houden. Daarmee zou miskend worden dat volgens vaste rechtspraak een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn.

Een vermoeden van onpartijdigheid zegt niks over feitelijke onpartijdigheid. In veel zaken zullen rechters hun persoonlijke of politieke opvattingen prima kunnen scheiden van de opvattingen die in wetgeving zijn neergelegd. Maar is dat ook zo in zaken zoals het geding tegen de PVV-leider? Spongs argument suggereert al dat dat niet het geval is. Of de context waarin de gewraakte uitlatingen werden gedaan, een rol behoort te spelen, lijkt niet aan de hand van redelijkerwijs objectiveerbare criteria te kunnen worden beoordeeld. Spong zelf grijpt terug naar het ‘pornografiecriterium’, dat volgens hem in de zaak-Wilders goede diensten kan bewijzen. Zelfs al zou de rechter Wilders’ uitspraken aan het door Spong voorgestelde criterium toetsen, dan nog is de uitkomst daarvan niet te voorspellen en hoogst subjectief. In dit soort politieke zaken kan de rechter dus niet onpartijdig zijn. Het feit dat hij noodzakelijkerwijs op zijn persoonlijke of politieke overtuigingen zal moeten terug vallen, dient consequenties te hebben.