‘Dit is een soort oorlog. En het eind is nog niet in zicht’

Wonen in Brussel Hoe is Brussel eraan toe? Mensen denken aan oorlog, maar hopen dat de aanslagen de saamhorigheid vergroten. „Misschien kan er meer dan vroeger gepraat worden over wat er gebeurt.”

Reizigers worden gecontroleerd voor ze het Centraal Station in Brussel mogen betreden. Jonas Rossens/ANP

Begin dit jaar stond er voor het gemeentehuis van Sint-Jans-Molenbeek een lichtblauw reclamebord met een gele telefoon. Vanuit de hele wereld werd er gebeld door mensen die misschien naar Brussel wilden komen en de belangrijkste vraag was steeds: Is it safe in Brussels? Wie langsliep, kon opnemen.

Het was een idee van de Brusselse musea, restaurants, hotels, de luchthaven in Zaventem, het stadsbestuur, de toeristeninformatie VisitBrussels. Er stonden ook zulke telefoons op de Brusselse Kunstberg en het Flageyplein. Na de klopjacht in Brussel – en vooral in de deelgemeente Molenbeek – op verdachten van de aanslagen in Parijs, half november, kwamen er nauwelijks nog toeristen naar de hoofdstad van België. De campagne #callbrussels kostte een half miljoen euro, er belden zo’n 18.000 mensen uit 154 landen en het toeristenbureau was tevreden. De locals zelf vertelden hoe fijn het was in de stad en het leek erop dat de actie succes had.

Bij het gemeentehuis van Molenbeek staan nu twee rijen politiebusjes en een legertruck. En de hele wereld weet het sinds dinsdag 22 maart zeker: het is níet veilig in Brussel.

Het is Pasen, maar op de Grote Markt en in de cafés en restaurants eromheen zijn maar weinig toeristen. Het gaat ook niet goed met de ‘Brussels Card’, waarmee je één, twee of drie dagen toegang kunt krijgen tot dertig musea en vrij openbaar vervoer. „De verkoop is 0,0”, zegt Leen Ochelen, directeur van de Brusselse Museumraad.

In de stad waar ik van 2008 tot de zomer van 2013 correspondent was voor NRC, stonden afgelopen week gewoon weer vrachtwagens midden op straat te laden en te lossen in de spits. Uit de ramen van sommige huizen hangen net als jaren geleden Belgische vlaggen – toen was dat een protest tegen politici die praatten over de opdeling van het land in een Vlaams en een Franstalig deel. De vlaggen bleven hangen tot ze verkleurden en wegrafelden. België bestaat nog.

De sfeer werd ijzig

Maar hoe is de stad er nu aan toe? Vanaf de dag van de aanslagen ga ik langs bij mijn Brusselse vrienden, die me soms ook weer doorverwijzen naar hún vrienden, collega’s, familie. Hoe zien zij hun leven in Brussel, nu en later? Bij wie of wat zoeken ze houvast, troost?

Niet bij de andere Brusselaars. Maar een van de meer dan tien mensen die ik spreek, is op het Beursplein geweest waar kaarsen, bloemen en kaarten staan voor de slachtoffers. Dat was omdat ze er langs kwam op weg naar haar werk als docent op het Franstalige conservatorium. Ze had metrolijn 3 genomen, die bovengronds begint. „Vanaf het moment dat we ondergronds gingen bij Gare du Nord, zat iedereen ineens rechtop, de sfeer werd ijzig. En er was iets geks: iedereen in die metro was blank. Dat is anders nooit zo.”

Pieter Ochelen, architect bij een ingenieursbureau, vertelt over een collega op kantoor in Schaarbeek, de Brusselse gemeente waar de aanslagplegers van Zaventem een huis hadden gehuurd. „Hij liep op de dag van de aanslagen met een wit gezicht rond, helemaal in de stress. Hij was eerder ook al bang voor alle Marokkanen en is blij dat hij binnenkort verhuist uit Schaarbeek.”

Nee, zegt hij, ik herinner het me verkeerd dat Pieter jaren geleden zelf eigenlijk ook weg wilde uit Brussel. „Ik vind dit een toffe stad.” Zijn Japanse vrouw sprak een paar jaar geleden nog geen Frans en voelde zich niet thuis in Brussel. Maar ze volgt nu Franse les en hun oudste dochter van negen, die op een Nederlandstalige school zit, is op kamp geweest met Franstaligen en kan zich beter redden op het schoolplein – waar vooral Frans wordt gesproken.

Maar Pieter heeft een studievriend, Peter Casier, die met zijn vrouw een architectenbureau heeft in Molenbeek. „Ik hoor dat hij er nu spijt van begint te krijgen dat hij daar woont.”

Over spijt of misschien verhuizen praat Peter Casier niet, als we koffiedrinken net buiten Molenbeek, waar de gearresteerde verdachte van de aanslagen in Parijs Salah Abdeslam woonde. Casier heeft het wel over groeiend „onbehagen” en zegt dat deze tijd „voor iedereen in de buurt heel zwaar” is. Tot vorig jaar november ging het volgens hem juist steeds beter in Molenbeek: moslims deden mee aan basketbalwedstrijden die niet-moslims organiseerden, er waren ‘vrouwenavonden’ op school waar ook moslims kwamen.

Een dag na de aanslagen had Peter Casier ’s avonds samen met vrienden uit de buurt in een café gezeten in de Dansaertstraat, die Molenbeek verbindt met het centrum van Brussel. „Er waren er die met tranen in hun ogen zaten. Ze zijn maatschappelijk werker en zien hoe grote witte mannen nog racistischer worden en moslims zich aangevallen voelen.”

Ik ben heel blij dat de moslims in België zich zo duidelijk uitspreken

Koenraad Hofman contrabassist

Maar het kan meevallen, zegt hij. „Het is nu zo dat moslims in Molenbeek ons aanspreken met een misplaatst schuldgevoel. Misschien kan er meer dan vroeger gepraat worden over wat er gebeurt.”

In bijna alle gesprekken komt dat terug: de hoop op een ánder effect dan waar iedereen nu bang voor is. „Ik ben heel blij dat de moslims in België zich zo duidelijk uitspreken”, zegt Koenraad Hofman, contrabassist en artistiek leider van het kamermuziekensemble Oxalys.

Sonia Dewandeleer, marketingexpert bij een winkelketen, zegt dat ze gelooft „in de eenheid in de diversiteit van Brussel”. „Brusselaars worden de zinnekes genoemd, straathonden van wie je de afkomst niet meer kunt achterhalen. En ik hoop dat deze aanslagen onze saamhorigheid vergroten.”

Gelooft ze dat echt? „Nee, maar ik wíl er wel in geloven.”

De Brusselaars in dit verhaal waren tevreden over de toespraak van de – niet heel populaire – koning Filip. Ze waren ook blij met de woorden van premier Charles Michel over eensgezindheid. Maar niemand zegt: het hielp me.

Brusselaars, zegt violist Frédéric d’Ursel, zijn convivial. Ze komen graag samen om te eten en te drinken, ze lachen graag om zichzelf. D’Ursel was op 22 maart ’s ochtends op weg naar de repetitie van Oxalys. Hij had het nieuws over de aanslag op de luchthaven gezien en dacht na over de metro bij zijn huis, Maalbeek: zou hij die nemen of nu maar beter niet? „Ik dacht: een paar haltes. De spits is voorbij, een aanslag doe je in de spits.” Een minuut later zag hij de eerste gewonden uit het metrostation komen.

’s Avonds ging hij eten, drinken en lachen met vrienden. Maar zijn enorme vermoeidheid verdween pas na de Matthäus Passion op woensdagavond. „Dat was een brainwash.”

Een mes mee naar Brussel

De musea, horeca, congresorganisaties, het stadsbestuur en het toeristenbureau houden op donderdagochtend een crisisvergadering. Er wordt nog geen nieuwe communicatiestrategie bedacht om buitenlanders naar de stad te halen. „We gaan eerst zien met welk beeld van Brussel we blijven zitten”, zegt Geert Cochez, adjunct-directeur van VisitBrussels.

Het idee is nu wel om te proberen of Belgen uit andere delen van het land naar Brussel te lokken zijn. Die hoeven niet te komen via het (nu gesloten) vliegveld in Zaventem. „Maar Belgen hebben een andere verhouding met hun hoofdstad dan bijvoorbeeld de Fransen of de Britten, die zich meestal wel verbonden voelen met Parijs en Londen. Wij zijn altijd minder goed geweest in het omarmen van onze hoofdstad. Dat is een handicap.”

Franstalige Belgen kun je vaak horen zeggen dat hun échte hoofdstad, cultureel gezien, Parijs is. Vlaams-nationalisten van de N-VA, de grootste partij van België, zien het vooral Franstalige Brussel als een bureaucratisch gedrocht waar niets echt goed werkt. Bij veel Vlamingen is er ook angst voor de gevaren van de grote stad. Vlaamse Brusselaars horen hun familieleden uit Vlaanderen soms zeggen: ‘Als ik kom, neem ik een mes mee.’ „Ik was een keer bij de kapper in Halle, toch vlak bij Brussel”, zegt Sonia Dewandeleer. „Ze vroeg waar ik vandaan kwam en toen ik Brussel zei, week ze letterlijk een meter achteruit en riep: ‘Brussel?’”

Haal die Vlamingen nu maar eens over om naar een stad te komen die ook voor inwoners zelf voelt als een oorlogszone.

Na de aanslagen in Parijs, op 13 november, waren antiterreureenheden in Brussel op zoek naar verdachten. „Ik dacht: is dit hoe een oorlog begint?” zegt Hilde De Visscher, die in Brussel kunst- en cultuurprojecten organiseert. Haar straat, in de gemeente Vorst, was afgezet door de politie en het leger. Er cirkelden tot diep in de nacht helikopters, inwoners mochten niet bij het raam komen en niet via sociale media laten weten wat ze hadden gezien.

„Ik dacht ook: wat moet ik in huis halen als ik morgen naar de winkel kan? En: waarom heb ik nooit goed geluisterd als mijn moeder over de oorlog vertelde? Dan had ik het nu geweten.” Maar ze kon natuurlijk ook veel zelf bedenken: bonen, rijst, pasta, gedroogd vlees, chocola, suiker, zout, wc papier. En zeep. „Dat wist ik nog wel van mijn moeder: hoe naar het is als je jezelf niet schoon kunt houden.”

Vorige week bleek dat Salah Abdeslam zich twee straten bij haar vandaan verborgen had gehouden. Een andere terreurverdachte werd daar doodgeschoten.

„Dit is een soort oorlog”, zegt Koenraad Hofman. „Ook al staan er geen tanks tegenover elkaar. En ik denk dat we het eind ervan nog niet hebben gezien. Maar ik wil wel gewoon verder leven zoals ik altijd heb gedaan.”

Een dag na de aanslagen praatte Sonia Dewandeleer met een vrouw, de moeder van een vriendin van haar dochter, die in Noord-Ierland is opgegroeid met aanslagen en ook in Brussel altijd oplet. „Wij zullen ook anders moeten gaan leven. Ik denk dat ik vanaf nu alleen nog met de fiets naar het centrum van Brussel ga.”

Vorig jaar al heeft ze bedacht dat ze het liefst met haar man en drie kinderen zou verhuizen naar Canada. „Dat is een stap terug in de tijd. Daar kun je je deur nog gewoon open laten.”

Maar haar man wil niet. „En daar zou de tijd ons op een dag ook inhalen.”