Opinie

    • Caroline de Gruyter

De zelfmoordenaars weten waar zij heen willen. Wij niet

In zijn jongste film, Where to Invade Next, schildert de Amerikaanse filmmaker Michael Moore Europa af als Utopia. Europeanen zien dat zelf helemaal niet zo. We klagen van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, over de regering, de elite, TTIP, het Brusselse monster. We willen geen migranten meer, maar nu we ze naar Turkije sturen is het weer niet goed. Deze week serveren we, geheel in stijl, onze eigen veiligheidsdiensten af. En Belgie? Pff, dat is een failed state.

Zo bezien hadden de broers El-Bakraoui helaas een walk-over. Zelfverzekerd, met totale overgave aan hun missie – de destructie van het Westen, en de bouw van een kalifaat op de ruïnes ervan – bliezen ze zichzelf in Brussel op. Maandenlang moeten ronselaars van Islamitische Staat (IS) bezig geweest om deze mannen in hun invloedssfeer te halen. Zoiets vergt tijd, zorg en overredingstalent, maar dan heb je ook wat: mensen die willen sterven voor hun ideaal.

In 2015 vroeg opiniepeiler Gallup eens in hoeverre Europeanen wilden sterven voor hun vaderland. De score: 18 procent van de Duitsers, 27 procent van de Britten, 15 procent van de Nederlanders. Alleen de Finnen kwamen op 74 procent.

Wij Europeanen raken verlamd als we met geweld worden geconfronteerd. Het leven in Brussel ligt plat. Na dagen krijg je nog mails als „Wij laten het concert, ondanks ‘Brussel’, tóch doorgaan”. Dit is precies wat IS beoogt.

Na de aanslagen in Parijs schreef Scott Atran, een antropoloog bij het CNRS, het Parijse instituut voor fundamenteel wetenschappelijk onderzoek, dat we te veel blijven hangen in onbegrip voor wat zelfmoordenaars motiveert. We moeten juist inzicht krijgen in wat hen beweegt, anders wordt het moeilijk ze te bestrijden.

Na de Parijse aanslagen lag Brussel ook plat, net als Boston in 2013. Dit maakt burgers onzeker over de veerkracht van de maatschappij. Zelfs tijdens de Blitz (1940-’41), schreef Attran, „doken de Britse regering en de inwoners van Londen niet zo diep weg. Nu hoeft een IS-video maar een aanslag in New York te suggereren, of de autoriteiten gaan in een spurt om het volk te kalmeren. De media (…) genereren zoveel hysterie dat de bedreiging al half werkelijkheid wordt.”

De zelfmoordenaars weten waar ze heengaan. Wij niet. Onze regeringen timmerden decennialang aan de Europese Unie met het argument dat het een technische operatie was: een ‘markt’, meer niet. De natiestaat zou de belangrijkste politieke unit blijven. Maar natiestaten worden poreuzer. Besluitvorming lekt weg naar hogere niveaus. Burgers worden onrustig: het verhaal dat de EU ‘puur economisch’ is, gaat niet meer op. Waarom blijven regeringen die fictie dan ophouden?

In veel EU-landen woeden felle discussies over wat globalisering doet met onze identiteit. ‘Ons’ Oekraïnereferendum gaat daar ook over. Maar onze leiders, die deze debatten moeten leiden en sturen en betere Europese structuren moeten voorstellen, kijken de andere kant op.

Dit gebrek aan politiek perspectief vreet aan onze sociale cohesie en zelfvertrouwen. De samenleving versnippert: „Ze doen maar”. Maar hoe kunnen cynische burgers die aan het uitchecken zijn, bedenken wat ze moeten met tweede- of derdegeneratiemigranten? Degenen die zich gemarginaliseerd voelen en via kleine criminaliteit langzaam rijpen voor geduldige bekering in Europese gevangenissen? Hoeveel mensen weten eigenlijk dat we, zonder enig politiek debat, al keihard oorlog voeren tegen IS in Libië? Zouden de aanslagen in Brussel daar óók mee te maken kunnen hebben? En met westerse invasies in Irak en Afghanistan?

Europeanen moeten, behalve kaarsjes branden, weer een gemeenschappelijke politieke bestemming vinden. Anders kunnen ze deze cruciale vragen nooit beantwoorden.

    • Caroline de Gruyter