De wereld houdt de adem in. En wij gaan gezellig ganzenborden

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen? Deze week: Rutte en het referendumdilemma: het brandende verlangen naar meer directe democratie.

Ofwel: wat als burgers ook meebeslissen over zoiets als terreurbestrijding?

Illustratie Ruben L. Oppenheimer

Zelfoverschatting is hier nooit ver weg. Dus daar gaan we. Terroristen met kofferkarretjes, een vluchtelingencrisis die elk moment weer kan escaleren, een groeiende kans op een Brexit: de bedreigingen die op Europa afkomen worden met de dag heftiger.

En wij, dekselse Hollanders, nazaten van een voormalige wereldmacht, bepalen gewoon zelf onze internationale agenda: wij houden hier over tien dagen ons eigen referendum over, jawel, het EU-verdrag met Oekraïne.

Dus doorlopen, Europa, met je sores en je crises: wij laten ons niet meer door jullie voorschrijven wat belangrijk is.

Ik geef graag toe: dat referendum voldoet duidelijk aan een behoefte.

Het verlangen naar meer directe democratie groeit al jaren onstuitbaar: het SCP zal dinsdag cijfers publiceren die dit andermaal bevestigen.

En de afkeer van de EU is er een voorname oorzaak van, onder lager en hoger opgeleiden.

In dit opzicht hebben alle activisten en organisaties die deze volksraadpleging afdwongen een daad van grote betekenis verricht: zij hebben het licht aangedaan in Den Haag.

Het zal niet meer doven: na deze ervaring kan het verlangen van burgers naar meer zeggenschap, raadgevend of anderszins, nooit meer worden afgedaan als hobby van een paar shockbloggers.

Maar laten we wel wezen: de timing van dit referendum had niet beroerder gekund.

Dit zijn dagen waarop je wilt dat Europa zijn energie stopt in gezamenlijke terreurbestrijding. Dagen waarop je hoopt dat Europa de vluchtelingendeal met Turkije overeind houdt. Dagen waarop je ervan uitgaat dat Europa (Nederland ook) zich grondig voorbereidt op de steeds reëlere kans van een Brexit.

Onder die omstandigheden alle avonden over de Nederlandse relatie met Oekraïne debatteren – als je niet beter wist zou je zeggen: dit moet een misverstand zijn.

Een heel continent aanschouwt gespannen het eindspel van een legendarische schaakmatch die ons bestaan voor altijd kan veranderen. En hier zeggen we: maar wij gaan lekker ganzenborden.

Er komt bij dat het hele referendumdenken me deze week na Brussel een extra ongemakkelijk gevoel gaf.

Stel je voor, bedacht ik me ineens, dat we straks ook wetgeving tegen terreurdreiging zo gaan behandelen.

Terreurgevaar is misschien toch iets te existentieel om ook dan publieke impulsen voorrang te geven boven gedegen inzichten.

Het debat over de Brusselse aanslagen moest het hebben van publieksintellectuelen en deskundigen; het Kamerdebat volgt pas volgende week.

Je kreeg erg het idee dat alles op dit punt allang gezegd is. Sterker: ook mogelijke oplossingen zijn stuk voor stuk uitgeprobeerd, met ontnuchterend resultaat: we weten steeds meer over terroristen, maar krijgen geen greep op ze.

Tegelijk zag je het ontmoedigende gegeven dat mensen weigerden de stellige posities te verlaten waarmee ze dit debat al een jaar of vijftien voeren.

Zij die altijd zeggen dat het allemaal aan de islam ligt, zeiden dat nu weer. Net als zij die altijd zeggen dat vooral moslims door dit soort terreuraanslagen worden getroffen.

En zij die altijd zeggen dat afkomst en maatschappelijke kansen de voornaamste grondslag voor terreur zijn. En zij die altijd het omgekeerde zeggen.

En zij die altijd zeggen dat je die gasten keihard moet aanpakken. En zij die altijd zeggen dat de empathische aanpak van de wijkpolitie zo goed werkt.

Het is een van de droevigste gevolgen van polarisatie: het leidt van weerskanten tot intellectuele stilstand.

Het veroorzaakt bovendien dat dit hele terreurdebat een gesprek zonder verleden is. Terwijl juist daar wel een paar verbanden te leggen zijn, en een paar lessen te trekken.

Ga maar na. In 1980 viel de Sovjet-Unie Afghanistan binnen: het leidde uiteindelijk tot de Talibaan in de jaren negentig. Na de Israëlische bezetting van Libanon ontstond in 1985 Hezbollah. Na de eerste Golfoorlog in 1990, waarin het Westen met hulp van Saoedi-Arabië vocht tegen Saddam Hussein in Irak, stond Osama bin Laden op tegen het Saoedische regime; hij vormde later Al-Qaeda. Na de afzetting van Saddam Hussein door de VS in 2003, ontstond een opstand waaruit IS voortkwam. Na de westerse afzetting van Gaddafi in Libië, in 2011, verviel dat land in chaos waardoor talrijke terreurgroepen, waaronder Al-Qaeda en IS, ruim baan kregen.

Hier is kortom een ongemakkelijke vraag relevant: de bombardementen tegen IS, waaraan ook Nederland meedoet, mogen moreel misschien gerechtvaardigd zijn, maar zijn die militair eigenlijk wel verstandig?

Er komt bij dat het aantal aanslagen van IS in West-Europa sinds de bombardementen fors toeneemt.

Dit laat, denk ik, de kwetsbaarheid van het referendumdenken goed zien. Het zou echt weinig moeite kosten bezwaren tegen de Nederlandse deelname aan de strijd tegen IS te populariseren.

Je noemt het militair kortzichtig en laakt de verhevigde kans op aanslagen. Website, campagnefilmpje, posters – en klaar.

Het is alleen lang niet het enige dat bij de Hollandse deelname aan de militaire acties tegen IS op het spel staat.

Die heeft, bijvoorbeeld, ook internationaal-politieke én symbolische waarde – zoals het belang van gezamenlijke Westerse weerstand tegen IS, en dat van steun aan landen die eerder slachtoffer van aanslagen waren.

Er komt bij dat terrorismebestrijding veel contra-intuïtieve logica kent. Ik heb op deze pagina eerder herinnerd aan een gesprek dat ik ooit met Mark Fallon voerde, een voormalig special agent van Amerika’s militaire recherche. Fallon, Republikein van huis uit, gold na 9/11 als dé Al-Qaeda-specialist van het opsporingsapparaat in de VS.

Hij leidde het strafrechtelijk onderzoek naar Bin Laden, nadat hij eerder diverse Al-Qaeda-terroristen achter de tralies kreeg. Hij legde me uit dat confronterend en agressief optreden tegen dit soort terroristen niets oplevert.

Zijn onderzoeken boekten pas vooruitgang, vertelde hij, als hij zich in de terroristen verdiepte. Als hij belangstelling voor ze opbracht.

U beveelt theedrinken met Al-Qaeda aan, zei ik half grappend. „Absoluut”, vertelde hij bloedserieus, „want dát verwachten ze niet.”

Dit soort gelaagde vraagstukken blootstellen aan populair sentiment is, ben ik bang, vragen om ongelukken. Zoals ik rond dat Oekraïnereferendum ook voortdurend versimpelingen en stelligheden aantref die, voor zover ik zie, op geen enkele manier rechtdoen aan de werkelijke dilemma’s.

Tegelijk zou het óók kortzichtig zijn het verlangen naar directe democratie te relativeren. Ik vermoed dat de beste tussenweg is om raadgevende referenda met gewogen stemmen mogelijk te maken.

Elke kiezer kan dan zijn waardering voor een wet op een schaal van één tot vijf weergeven. Dan hebben mensen ook de ruimte om bijvoorbeeld voor zestig procent voor en veertig procent tegen zijn.

Dit kan het ellendige simplificeren tijdens campagnes wegnemen, en het geeft na de uitslag óók een stem aan al degenen die niet bij de meerderheid horen: hun bezwaren komen op die manier evengoed in beeld, en kunnen nuttig zijn voor politici die de raadgeving van de burger ten slotte beoordelen.

Minstens zo belangrijk lijkt me dat we, bij de invoering van meer directe democratie, de burger met zijn eigen wispelturigheid confronteren. De tijdelijkheid van standpunten is nogal groot.

Kijk terug naar opvattingen die de afgelopen vijftien jaar dominant waren in het terreurdebat, en je ziet hoe gemakkelijk mensen zichzelf achteraf ongelijk geven. Zelfs de afzetting van Saddam in 2003, waaraan we nu IS danken, werd destijds in Nederland luid toegejuicht.

Dus prima – meer directe democratie. Maar laten we de schaduwzijden vooral niet over het hoofd zien.

Zoals Johan Cruijff ooit zei: „Ik ben overal tegen. Totdat ik een besluit neem, dan ben ik voor.”