De namen, blijf vooral de namen noemen

Dit was gepland als column waarin ik alle modieuze trends in het geschiedswetenschappelijke landschap op de korrel had willen nemen, de vele ‘turns’ (de cultural turn, emotional turn, de global turn in history). Waaraan ik ook zelf graag aan meedoe, omdat het inspirerend is eens iets nieuws te proberen. Al die feiten rechttoe-rechtaan aan elkaar breien gaat ook wel eens vervelen als historicus.

Maar goed, daar kwam een dubbele terroristische aanslag tussendoor. Die bepaalde ons bij deze kern: het belang van het noemen van de namen van slachtoffers, en het achterhalen van de daders. Terwijl ik dit schrijf krijgen de slachtoffers namen en gezichten. Een Amerikaanse soldaat en zijn gezin, een medewerker van Starbucks.

Dit, het noemen van de namen, is de kern van zorgvuldig politiewerk, het is het directe belang van de slachtoffers en hun nabestaanden zelf. Maar het is óók een cruciale opdracht van historici. Zelf werd ik zo voor de geschiedschrijving gewonnen. Als student Duitse taal en letterkunde liep ik in mijn tweede jaar stage in een concentratiekampmuseum, een kleintje, aan de Duits-Deense grens.

Ik ben geboren en opgegroeid in Putten. En hier was een grote groep mannen uit Putten omgekomen bij hun werk aan de Friesenwall in 1944. En als 19-jarige werd ik aan het werk gezet om de volledig verstofte archiefkast op te schonen en te ordenen. Bij opening dwarrelden kleine briefjes naar beneden, met foto’s van de graven van de Puttenaren, en een begeleidend schrijven van de dominee aan de weduwen. Al in juni 1945 nam deze NSDAP-partijganger, want dat was hij, de moeite om de nabestaanden op de hoogte te stellen van de laatste rustplaats van hun geliefde vaders, echtgenoten. Dat was uitzonderlijk.

Veel concentratiekampgevangenen werden na hun dood in massagraven gestort en van hen is nooit meer een spoor gevonden. Laat staan dat de dominee en de bevolking van een nabijgelegen dorpje de kampcommandant nog tijdens de oorlog verzocht om toestemming om de omgekomen gevangenen een fatsoenlijke begrafenis te mogen geven. Zo ontstond een unieke band tussen Putten, en dit dorp Ladelund. Een band die ertoe leidde dat in 1950 een bus met Puttense weduwen naar Noord-Duitsland afreisde, samen met de lokale Duitsers een kerkdienst bijwoonde en besloot de stoffelijke overschotten van hun geliefden daar op het mooie kerkhof van de Petrikirche te laten. (Zelf vond ik tijdens die stage de begraafplaats van een oudoom met dezelfde naam als mijn vader, in Lübeck. Het maakte indruk op me om zomaar die bekende naam te lezen.)

In Duitsland ontstond in de decennia daarna een hele industrie van geschiedvorsers die zich specialiseerden in Totenlisten, het opstellen van lijsten van namen van omgekomen soldaten, concentratiekampgevangen, andere slachtoffers van de totalitaire regimes van de 20ste eeuw. Ze vonden en vinden emplooi in de honderden Gedenkstätten die Duitsland rijk is. Geschiedschrijving is daar ook altijd gedenken, herinneren aan dat wat de dragers van die namen overkwam. Ungrievable lives, daarover schreef Judith Butler. Dat zijn mensen die niet alleen van hun leven zijn beroofd, maar ook nog van hun nagedachtenis, zoals dat dikwijls gaat in dictatoriale of terroristische regimes. Die bekommeren zich niet om namen, voor hen zijn mensen nummers, afval waar je van af wilt.

Daarom is het opstellen van lijsten en het blijven noemen van namen zo belangrijk. Niet alleen in landen als Duitsland, Rusland, Spanje, Argentinië met een geschiedenis van desaparacidos, van bij Nacht und Nebel verdwenen mensen. Dat geldt in Nederland ook, en is hier soms net zo gevoelig en heikel. Denk aan het identificeren van slachtoffers van politionele acties in Indonesië, aan het achterhalen van de daders en opdrachtgevers van de excessen aldaar. Aan de zoektocht naar het lot van de mannen van Srebrenica. Daar zijn keiharde schuldclaims en politieke belangen mee gemoeid. En daarom gebeurt het ook in open, democratische samenleving nog altijd te vaak dat namen niet erkend worden. Zo is het Bureau for Investigative Journalism een campagne begonnen om de naamloze slachtoffers van Amerikaanse drone-aanvallen in Pakistan van een identiteit te voorzien, ‘Naming the dead’.

Op deze manier is geschiedvorsing geen rustiek tijdverdrijf maar een manier om in de woorden van de overleden historicus Van Deursen ‘recht te doen aan overledenen’. Daar kun je over steggelen, want wat betekent in dit verband immers ‘recht doen’? Is dat niet een te normatieve manier, en tegelijk te individualistisch-particuliere vorm van geschiedenis bedrijven? Is dat nog geschiedenis? Is dat niet meer iets van nabestaanden die met kaarsjes, foto’s en teddyberen ware altaren van persoonsverering inrichten, of van monumentenzorg die erop toeziet dat namen op oorlogsmemorials leesbaar blijven?

In tijden van toenemend animo onder professionele en academische historici voor global history hoop ik dat het noemen van namen een kerntaak blijft. En dan niet alleen het noemen van de namen van de dictators en terroristen, van degenen die met gruweldaden hun plaats in de geschiedenisboeken zonder meer hebben veroverd. Daarnaast zal toch ook de kleine geschiedenis van uitgewiste levens verteld blijven moeten worden, van slachtoffers die niet veel meer deden dan langs een zelfmoordterrorist lopen, van een bepaald ‘ras’, kleur of afkomst te zijn en daardoor eerst tot een nummer en daarna tot niets werden gereduceerd.