De lekke Europese veiligheidsparaplu

De aanslagen van deze week maken grotere Europese samenwerking op het gebied van veiligheid noodzakelijk, zeiden verschillende politici deze week. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. „Inlichtingendiensten hebben alleen vijanden, geen vrienden.”

Belgische politiehelikopter tijdens huiszoekingen in de Brusselse wijk Schaarbeek, afgelopen dinsdagavond. Foto James Arthur Gekiere / AFP

Als Federica Mogherini, buitenlandvertegenwoordiger van de Europese Unie, dinsdagochtend op haar beveiligde verdieping in het Berlaymont-gebouw had gezeten, had ze de dreun in het metrostelsel onder de Europese wijk in Brussel kunnen voelen. Maar ze was in Jordanië voor overleg met de minister van Buitenlandse Zaken, Nasser Judeh.

„Europa en zijn hoofdstad ondergaan dezelfde pijn die deze regio elke dag heeft gevoeld en nog steeds voelt”, zei Mogherini op een haastig belegde persconferentie in Amman. Daarna brak ze in tranen uit. De Jordanees omhelsde haar en zei dat „wij aan uw zijde staan”.

En dan was er het Syrische jongetje aan de Grieks-Macedonische grens, dat dinsdag een bordje omhoog hield met ‘Sorry for Brussels’. Vraag niet wie dat ‘medeleven met Brussel’ voor hem heeft opgeschreven, maar het was nog zo’n meedogenloze omkering van het gebruikelijke perspectief.

Zo kregen we deze week een doorkijkje van buiten naar binnen, recht in het zwakke hart van de Unie. De dubbele aanslagen in Brussel konden niet op een precairder moment komen. Europa was al uitgeput door de eurocrisis en wankelt onder de toevloed aan migranten. De aanslagen dreigen nu ook de resterende politieke solidariteit op te blazen die het fundament van die Unie is. De aanslagen betekenen wind in de zeilen voor grenzensluiters en Unieverlaters, die zich over de volle breedte van Europa roeren.

Een aanslag kon niet uitblijven. Zoals de IRA cynisch maar nuchter liet weten na hun bomaanslag in Brighton in 1984, waarbij Margaret Thatcher bijna omkwam: „Jullie moeten de hele tijd geluk hebben, wij maar één keer.”

Triomfalisme

Wie de voorlopige balans opmaakt, moet vaststellen dat de veiligheidsdiensten een slechte week hadden. Allereerst de Belgische ‘Staatsveiligheid’, die veel vragen heeft te beantwoorden. Waarom is er weinig (of niets) gedaan met waarschuwingen door Turkije, vorig jaar, over twee van de mannen achter de aanslagen in Parijs en Brussel? Brahim el-Bakraoui zou zichzelf op Zaventem opblazen, en de broer van Salah Abdeslam, Brahim, pleegde zelfmoord in Parijs. Waarom duurde het vier maanden tot Abdeslam, het vermeende brein achter ‘Parijs’, kon worden aangehouden?

Het triomfalisme onder beleidsmakers („We’ve got him!”) duurde kort. Diens arrestatie en de openhartige mededeling van justitie dat hij wilde praten hebben, zo staat wel vast, de plannen van zijn voortvluchtige medestanders – die onverwacht talrijk blijken – verhaast. Maar waarom is daar in het ene uur dat Abdeslam werd verhoord niet naar gevraagd?

Volgens Louis Caprioli, een voormalige chef van de Franse anti-terreurdienst DST, aangehaald in de Financial Times, is het voor het eerst dat een netwerk van deze schaal aan het licht komt. Om die reden breken diensten in heel Europa zich nu ook het hoofd over de vraag of de daders van ‘Parijs’ en ‘Brussel’ deel uitmaakten van een wijder verband.

Onduidelijk is bijvoorbeeld wat het werkelijke doel was van de reis die Abdeslam met twee metgezellen in september 2015 naar Boedapest maakte. Bij de Oostenrijkse grens werden hun papieren gecontroleerd, waarna ze werden doorgelaten. De andere twee waren Mohamed Belkaid, die tijdens Abdeslams arrestatie werd gedood, en Najim Laachraoui, de vermoedelijke bommenmaker van de groep, die ook op Zaventem omkwam. Een hypothese is dat ‘Parijs’, ‘Brussel’ én eerdere aanslagen of pogingen daartoe, het werk zijn van hetzelfde grote netwerk, een jihadistische „supercel”, die de afgelopen drie jaar uiterst behoedzaam en professioneel in Europa zou zijn opgebouwd. Nog onbekend is wie daarover dan de leiding had, of – erger – nog steeds heeft. Want het is mogelijk dat de omgekomen terroristen alleen ‘wegwerpsoldaten’ of hooguit ‘middenkader’ zijn.

Maatje te klein

Hoe dan ook werkte de Belgische inlichtingendienst boven zijn macht. Alleen al fysiek is het onmogelijk alle teruggekeerde Syriëgangers te volgen. De honderden miljoenen euro’s die sinds ‘Parijs’ zijn uitgetrokken voor beter inlichtingenwerk dragen niet meteen vrucht.

Hoewel de kritiek luid is – oud-CIA-officier, nu schrijver, Robert Baer smaalde tegenover CNN zelfs dat de Belgen hiervoor „simpelweg een maatje te klein” blijken – werden ook de Fransen totaal verrast door de aanslagen van 13 november. Een reden: het terrorisme heeft bijgeleerd, van het maken van springstoffen tot het versleutelen van elektronische communicatie en een strikte discipline in hun contacten.

Vrijdag werd bekend dat de broers El-Bakraoui ook degenen zijn geweest die met een verborgen camera tien uur video schoten van de chef van een Belgische nucleair onderzoeksprogramma. Dat was de vermoedelijke reden dat de bewaking bij Belgische kerncentrales van Doel en Tihange deze week plotseling werd opgevoerd terwijl niet-noodzakelijk personeel moest vertrekken. Los van de slagingskans om een nucleaire ramp te veroorzaken, laat het in elk geval weinig twijfel over de ambities van Islamistische Staat.

Binnendringen in dit netwerk is de Belgen duidelijk niet gelukt. Dat is ook een kwestie van soft power: ogen en oren in probleemwijken, deradicaliseringsprogramma’s in gevangenissen en op straat, standaard politiewerk. Nogal zelfverzekerd – en met het bewijs uit het ongerijmde dat in Nederland geen bomaanslag heeft plaatsgevonden – claimen ‘jihad-experts’ dat die cultuur in Nederland beter is ontwikkeld dan in België.

Maar Nederlandse burgemeesters schreven deze week in de Volkskrant dat juist de preventieve aanpak van radicaliserende jongeren in het gedrang komt door bezuinigingen bij de politie. En ook Erik Akerboom, de nieuwe korpschef van de Nationale Politie, luidde bij zijn installatie, woensdag, de noodklok daarover.

Het nieuwe normaal

Ook wanneer de onderste steen van de jongste aanslagen boven is, blijft het de vraag hoe (en of) Europa in de toekomst zulk terrorisme denkt te voorkomen. Verlegt IS de strijd blijvend naar onze grote steden? Zijn er nog meer supercellen, die erin slagen langere tijd onder de radar te blijven en dan spectaculaire aanvallen te plegen? En gaan bommen dan bij de dagelijkse werkelijkheid horen? Worden ze, zoals The Economist schreef, „het nieuwe normaal”?

Het lag dan ook voor de hand dat deze week opnieuw de kwestie van een Europese ‘veiligheidsunie’ opkwam. Nu nationale inlichtingendiensten niet in staat gebleken zijn de aanslagen te voorkomen, is het tijd voor ‘meer Europa’, redeneren sommigen. „Europa moet dit keer all the way” gaan, zei de Italiaanse premier Renzi dinsdag. „Er moet een Europees pact voor vrijheid en veiligheid komen.”

Jean-Claude Juncker, voorzitter van de Europese Commissie, herhaalde het een dag later. Na de gemeenschappelijke markt, munt en energiesector is het nu tijd voor een ‘veiligheidsunie’, zei hij.

Maar daar is een Verdragswijziging voor nodig en het initiatief is aan de lidstaten. Daar wringt de schoen. De Justitieministers, donderdag bijeen voor een buitengewone top naar aanleiding van Brussel, kwamen weliswaar tot een aantal initiatieven, zoals het beter delen van data en het uitbreiden van een in januari opgerichte antiterreurgroep bij het Europol-hoofdkwartier in Den Haag, maar voor een deel zaten die al in de pijplijn.

Technisch is het niet altijd makkelijk om databanken uit verschillende landen of diensten te koppelen – Frankrijk alleen al heeft er 33; tweetaligheid speelt de Belgen parten. Iets simpels als spellingsverschillen tussen verdachte namen in het berichtenverkeer kan betekenen dat cruciale informatie onopgemerkt blijft. En méér informatie verslechtert vaak ook de zogeheten signal to noise-verhouding. Hoe meer data, hoe meer hooiberg.

Welk land welke steken heeft laten vallen bij de uitzetting door Turkije van Ibrahim el-Bakraoui is nog niet duidelijk. Zeker is dat de uitgewisselde informatie niet ondubbelzinnig was. Achteraf is het altijd eenvoudiger vast te stellen dat iemand een gevaar betekent.

Maar de belangrijkste hindernis om te komen tot een ‘Europese CIA’ is het klassieke wantrouwen tussen spionnen. Een kwestie van „verschillende mentaliteiten”, zei de Duitse minister van Binnenlandse Zaken tegen het tv-station NTV. „Informatie is macht”, zei Jean-Marie Delarue, een oud-toezichthouder op de Franse inlichtingendiensten, in The New York Times. „Inlichtingendiensten hebben alleen vijanden, geen vrienden.”

Zelfs Britten en Amerikanen, sinds de Tweede Wereldoorlog vermoedelijk de intiemste bondgenoten op dit vlak, houden elkaar nauwlettend in de gaten.

Het antiterreurbeleid slaagt alleen „als alle landen meedoen”, zei Europol-chef Rob Wainwright in januari. Europol is een draaischijf voor informatie, maar heeft geen zelfstandige beslissingsmacht voor operaties. Weinig diensten popelen om hun geheimen te delen met de ‘jonge EU-lidstaten’ in Oost-Europa, ook al zitten ze formeel niet meer in het kamp van de vijand. Het risico dat geheime informatie terechtkomt bij de georganiseerde criminaliteit is in elk geval niet denkbeeldig.

Edward Snowden

Het wantrouwen zit diep. „De Italiaanse geheime dienst werkt beter samen met die van Amerika, Israël en Egypte dan met diensten in andere Europese landen”, zei Nathalie Tocci, onderdirecteur van het Istituto Affari Internazionali, een buitenlanddenktank in Rome. En de onthullingen van Edward Snowden over Amerikaanse en Britse spionage in Duitsland hebben dat land extra huiverig gemaakt.

‘Brussel’ maakt intussen steeds wijdere geopolitieke kringen. Buitenlandvertegenwoordiger Mogherini leek vrijdag in de aanslag een argument te zien om het EU-standpunt te verwateren dat de Syrische president Assad hoe dan ook dient te verdwijnen. Cruciaal was nu, zei ze, dat beide kampen in de vredesonderhandelingen tot overeenstemming komen, zodat het makkelijker wordt IS aan te pakken.

Eurosceptische politici zien in de aanslagen het bewijs van hun gelijk: de Europese veiligheidsparaplu heeft catastrofaal gefaald en dat terroristen vrij kunnen reizen heeft daar sterk aan bijgedragen. „Europa is niet in staat zijn bevolking veiligheid te bieden”, zei Michael Howard, ooit leider van de Britse conservatieven en nu prominent Brexit-fan. „Het Schengenverdrag is het welkomstbord voor terroristen”, citeerde hij een voormalige Interpol-chef.

Een aanslag is precies wat het Britse ‘Blijf in Europa’-kamp vreesde. Het land zit weliswaar nu ook al buiten Schengen, en jihadistisch geweld van eigen bodem is ouder dan de oorlog in Syrië, zoals de bomaanslagen in Londen van 7 juli 2005 aantonen. Maar iedereen met een EU-paspoort kan Britse bodem betreden en er zich zelfs vestigen. Als de Britten in juni naar de stembus gaan voor hun referendum zien velen in ‘Brussel’ vermoedelijk een extra argument om de ophaalbrug naar Europa permanent op te halen. En zo bleef deze week de grote vraag boven de markt hangen: zal ‘Brussel’ leiden tot meer daadkracht tegenover een nihilistische vijand die het op Europa, zijn burgers, zijn bestuur en zijn mentaliteit heeft gemunt heeft. Of tot meer wantrouwen en drijft ‘Brussel’ de wig verder het kwetsbare continent binnen?

    • Hans Steketee