De laatste keer op reis

Het zou het laatste uitje naar Parijs zijn met beide ouders. Maar moeder kon niet mee. „Het kan zijn”, zei ik, „dat moeder doodgaat”. „Ik denk”, zei mijn vader, „dat het voor haar een verlossing zou zijn.”

Het was winter en we gingen voor de laatste keer naar Parijs, mijn ouders, mijn jongste zusje en ik, de mannen en de kinderen. De dagen voor vertrek vulde mijn vader met de voorbereidingen. „Vandaag was ik bij de verpleeghuisarts”, zei hij toen ik na mijn werk bij hem langsliep. „Ik heb gevraagd of het op bezwaren stuitte dat we moeder meenemen. Nee, hoor. Niks aan de hand. We hoeven niet eens een verklaring te ondertekenen.”

„Verklaring?”, vroeg ik.

„Dat wij zelf de verantwoordelijkheid dragen.”

Hij tastte naar zijn kopje thee. „Verder heb ik bedacht dat jij moet komen helpen als moeder ’s nachts naar de wc moet. Want ze valt gegarandeerd en ik kan haar niet oprapen. Dus hoe doen we dat?”

„Een babyfoon”, zei ik. „We nemen een babyfoon mee.”

„Ook weer opgelost.” Hij pakte met twee handen de thee van me aan. „Jij huurt een babyfoon en dan moeten we alleen nog oefenen met de knoppen.”

De volgende middag vroeg hij hoe we het met het lopen zouden doen. Hij wilde op kerstochtend naar de Saint-Eustache en hij wilde kleren voor mijn moeder gaan kopen, bij Ralph Lauren tegenover de Madeleine, net als de vorige keer, toen we ook al dachten dat we voor het laatst gingen. Maar toen kon hij nog op zijn benen staan en nu niet meer, en zijn scootmobiel kon natuurlijk niet mee.

„Een rolstoel”, zei ik. „We nemen een rolstoel mee.”

„Geen gezicht”, zei hij. „Nee, hoor. Ik heb een beter voorstel. We huren een opvouwbare scootmobiel. Desnoods kopen we er een. Dan kan ik daar ook eens alleen op pad.”

„Alleen?”

„Waarom niet? In Parijs kan ik de weg ook blind vinden, hoor. Ik rijd zo van ons hotelletje naar de Champs-Élysées. Nu we het er toch over hebben, je hebt voor moeder en mij toch wel un grand lit besteld?” Hij keek als de man van de wereld die hij zo graag heeft willen zijn. „Moeder zal het fijn vinden om weer eens bij mij in bed te liggen. Ze heeft altijd zulke koude voeten.”

Toen begon hij over de extra verzekeringen die hij had afgesloten, voor als er iemand met de ambulance terug naar Nederland zou moeten. „Of met de eh, kom, hoe heet zo’n wagen ook al weer?”

We zwegen even.

„Het zou natuurlijk kunnen”, zei ik, „dat de reis te veel van uw krachten vergt.”

Hij knikte.

„Maar misschien zou u dat niet eens zo erg vinden.”

„Wat zou ik niet erg vinden?” Hij reikte naar de volumeknop van de cd-speler en zette de muziek wat harder. Bach. Altijd Bach.

„Dat u erin zou blijven”, zei ik.

„O, daar zou ik helemaal geen bezwaar tegen hebben”, zei hij. „Dat lijkt me een prachtig einde. Maar dan moeten jullie wel goed op moeder letten. Dat zij dus niet verloren raakt omdat alle aandacht naar mij uitgaat.”

We reserveerden de restaurants waar we zouden eten en bedachten van uur tot uur wat we gingen doen, geen verrassingen. En we zeiden niets tegen mijn moeder, anders zou ze maar onrustig worden. De verzorgsters op haar afdeling vonden het ook het beste als we haar pas op de ochtend van vertrek zouden vertellen wat het plan was.

„Zeg dan wel tegen haar dat we naar Ralph Lauren gaan”, zei mijn vader. „Wat zal ze dat leuk vinden. Wat een feest. En nu we het er toch over hebben” – hij glimlachte en staarde met zijn bijna niets meer ziende ogen uit het raam – „hang je wel dat leren mantelpak voor haar klaar? Dat ze niet de verkeerde kleren aantrekt.”

Maar toen viel ze, de avond voor vertrek. Bam, languit op de grond. Er leek weinig aan de hand, maar ’s nachts beet ze in haar slaap op haar tong, en de volgende ochtend zat ik met de verpleeghuisarts bij haar op haar kamer. Om beurten keken we in haar mond. De tong was dik en blauw. Mijn moeder praatte alsof ze dronken was.

„We gaan naar Parijs”, zei ik. „Gaat u mee?”

„Nee”, zei ze. „Het spijt me. Mijn lijf is niet fit en mijn ziel ook niet. Waar gaan jullie naartoe?”

„Naar Parijs.”

„Hebben jullie besteld?” Ze hoestte.

„Ja. En vader gaat mee. Wat vindt u ervan als vader wel gaat?”

„Dat moet hij zeker doen. Waar gaan jullie naartoe?”

Mijn vader zat beneden bij de voordeur te wachten, jas aan, sjaal om, pet op, en met een grote koffer naast zich, waar alleen een tandenborstel en een paar handschoenen in zaten. Maar dat bleek pas in het hotel.

„Moeder kan niet mee”, zei ik.

„O nee?”

„Ze vindt dat u wel moet gaan.”

„O ja?” Hij zweeg even. „Ze zal me vreselijk missen. Ze zal niet begrijpen waar ik blijf. Ze zal gaan dwalen.”

„Het is maar twee dagen”, zei ik. „En Nel zal zo vaak als maar nodig is vertellen waar u bent.”

„Nou goed”, zei hij. „Op hoop van zegen.”

De opvouwbare scootmobiel bleek niet erg stabiel te zijn en voor we op kerstavond in Bistro de Breteuil aankwamen was mijn vader al drie keer bijna omgekieperd. De obers lachten hartelijk toen ze hem zagen binnenkomen, met aan elke kant twee kleinkinderen om hem op koers te houden. Hij at zijn oesters en heilbot met smaak, en de volgende ochtend bij het ontbijt, croissants met dik boter en jam, verklaarde hij opgewekt dat zijn bloedsuikerspiegel 11.6 was. „Perfect! Het moet tussen de 5 en 7 zijn, maar 11.6 mag ook.”

Ik vroeg of hij opgelucht was dat we mijn moeder niet hadden meegenomen. Hij zei ja en nee en ja, maar toen we in de Saint-Eustache zaten, rechts vooraan, net als de vorige keer, en het orgel Adeste fideles inzette, begon hij te huilen. Hij bleef huilen tot de laatste klanken van het Gloria, in excelsis deo verstorven waren. „Dat heb je met die katholieke missen”, zei hij. „Ze zijn sentimenteel. Dat is wat ik erop tegen heb.”

„Of huilt u om moeder?” vroeg ik.

„Nou ja”, zei hij. „Ik was natuurlijk graag een nieuwe jas met haar gaan kopen. Die oude is nu echt wel versleten.”

Bij de wandeling door de Tuilerieën kreeg ik een berichtje van mijn oudste zus. Moeder was suf en verward, ze kon niet eten of praten, de hoest werd erger. Nel belde en zei dat ze mijn moeder onder een dekentje in een luie stoel had gelegd. „Blijf voorlopig maar lekker daar, hoor”, zei ze. „Hoe is het met je vader?” Een paar uur later belde ze weer. De verpleeghuisarts had een dubbele longontsteking vastgesteld en antibiotica voorgeschreven, ook al hadden we afgesproken dat mijn moeder nergens meer voor behandeld zou worden. „Ze krijgt het anders erg benauwd”, zei Nel.

„Ja”, zei ik. „Logisch.”

’s Avonds in Brasserie Flo liet mijn vader de vingers van zijn linkerhand zien. Ze waren dik en blauw. „Ik zie het nu pas”, zei hij. „Ik denk dat het komt doordat ik moeder heb proberen op te vangen.”

„Het kan zijn”, zei ik, „dat moeder doodgaat.”

„Ik denk”, zei mijn vader, „dat het voor haar een verlossing zou zijn.”

„Dan heeft ze”, zei mijn zusje, „eindelijk wat ze wil.”

„Hoezo?” Mijn vader keek naar zijn vingers en mompelde dat hij er gek genoeg niets van voelde.

„Kom op, vader”, zei mijn zusje. „Ze wil al veertig jaar dood.”

„Maar nooit als we in Parijs waren”, zei mijn vader. „Dan voelde ze zich bevrijd. Zo van: laat de boeren maar dorsen. We aten bij Balzar, we dronken een fles wijn, en daarna” – hij probeerde een mossel aan zijn vork te prikken – „waren we helemaal verliefd en gingen we…”

„Meer hoeven we niet te weten, vader”, zei mijn zusje.

„…heerlijk vrijen in ons hotel.” Hij lachte.

„En de rest van het jaar was ze weer gierend depressief”, zei mijn zusje.

„Heb jij nou ook mosselen?”, vroeg hij aan haar terwijl hij met zijn rechterwijsvinger in het eten op haar bord duwde.

We zwegen een poosje, en toen vroeg ik of het voor hem ook een verlossing zou zijn als moeder doodging. Sneller dan ik had verwacht zei hij: „Ja, want dan kan ik ook dood. Feitelijk zit ik op haar te wachten.” Opeens draaide hij zich geërgerd om naar de oude pianola schuin achter hem. De kleinkinderen hadden er wat geld in gegooid en nu kwam er muziek uit. „Ophouden!”, riep hij. „Dat wil ik niet.”

Welkom terug, meneer Koelewijn”, zei Nel toen we de volgende avond de afdeling op liepen. „Ik heb uw vrouw net naar haar kamer gebracht.”

„Hoe is het met haar?”,vroeg mijn vader.

„Beter dan gisteren”, zei Nel. „Maar ze is niet goed.”

Ik duwde de deur open en daar zat ze, in haar stoel bij het raam. Ze leek ons niet te horen. Mijn vader schuifelde zwaar leunend op zijn rollator naar haar toe en zei: „Zo. Hallo.”

Mijn moeder keek verbaasd op en zei, nauwelijks verstaanbaar: „Hallo.”

„Hallo”, zei mijn vader nog een keer.

„Hallo.”

„We zijn in Parijs geweest.”

„O.”

„En nu zijn we weer terug.”

„O. Hebben jullie het goed gehad?”

„Prima.”

„Goed zo.”

„En jij?”

„Ik ook. Waar ben je geweest?”

„In Parijs, Renske. Heb je me gemist?”

„Nee hoor. Hebben jullie het goed gehad?” Ze hoestte.

„Ja, ja. Prima. Dus je hebt me niet gemist?”

„Nee hoor.”

„Je was ziek, hè?”

„O ja?” Ze keek onzeker naar mij. „Was ik ziek?”

„U bent ziek, moeder”, zei ik.

„O ja”, zei ze terwijl ze haar hand op haar borst legde. „Ik heb pijn. Maar ik zeur, hoor.”

Twee dagen later was de pijn zo erg dat de verpleeghuisarts er weer bij geroepen werd. Die begreep het niet meer. De longontsteking was aan het wegtrekken. Met de tong ging het ook beter. En ook al hadden we dan afgesproken dat mijn moeder nergens meer voor behandeld zou worden, ze raadde ons toch aan met haar naar het ziekenhuis te gaan. „Zoveel pijn, ik wil weten wat het is, dan kunnen we er misschien wat aan doen.”

Daar gingen we, met de taxi naar de spoedeisende hulp. Mijn jongste zusje kwam ook en samen hielpen we onze moeder uit haar kleren voor een hartfilmpje, voor een longfoto, voor alle metingen die volgens protocol gedaan moesten worden. Na een uur was ze zo uitgeput dat we haar op een brancard moesten leggen, met twee dekens over haar heen tegen het rillen. Toen begon ze te reutelen. Haar gezicht werd asgrauw. Haar ogen zonken weg in hun kassen. „Ze gaat dood”, zei mijn zusje en ze begon vast te huilen.

„Zit de familie een beetje op één lijn?”, vroeg de geriater in opleiding die haar voorlopige bevindingen met ons kwam bespreken. „Zijn jullie gelovig?” Ik stelde voor dat we mijn vader zouden halen, maar op dat moment deed mijn moeder haar ogen open en vroeg waar ze was. „Is dit Parijs?”

De geriater, een jonge vrouw met nonchalant opgestoken krullen, begreep het ook niet meer en liet mijn moeder opnemen. Twee dagen lang werd ze van onderzoek naar onderzoek gesleept en op het laatst was ze zo in de war dat ze moest worden vastgebonden. Mijn zusje en mij herkende ze niet meer.

„Hoe denkt u er nu over?” vroeg ik aan mijn vader terwijl ik hem in een rolstoel door het ziekenhuis reed.

„Tja”, zei hij. „Wat moet ik ervan zeggen? Wat denk jij?”

„Ze gaat niet dood”, zei ik. „Niet nu.”

„O”, zei hij.

„Vindt u dat jammer?”

„Nou ja”, zei hij. „Aan de ene kant wel. En aan de andere kant niet.”

„Zo, ben je daar”, zei mijn moeder toen we haar kamer binnenreden. Hem herkende ze wel. „Waar ben je geweest?”

„Och Renske.” Hij probeerde op te staan. „Je bent er nog. Laat me je een kus geven.” En toen begon hij weer te huilen.

„Ik denk dat ik weet wat ze heeft”, zei mijn zusje toen we de ochtend van de derde dag met onze moeder zaten te wachten op de laatste CT-scan. „Het zijn haar ribben. Ze was toch gevallen? Moet je hier eens kijken.” Ze trok de mouwen van mijn moeders vest naar beneden. Haar bovenarm was paars.

„We hadden het op de röntgenfoto van uw longen al kunnen zien”, zei de geriater ’s middags. „Als we ernaar gekeken hadden.”

„Wat heb ik?”, vroeg mijn moeder.

„U heeft uw ribben gebroken”, zei de geriater.

„O”, zei ze. „En wat nu?”

„U moet vreselijke pijn hebben gehad”, zei de geriater terwijl ze mijn moeders handen streelde.

„Valt wel mee hoor”, zei mijn moeder. „Ik zeur.”

Ze kreeg een grote doos pijnstillers mee en we gingen terug naar het verzorgingshuis. Het was oudejaarsavond en ze zou met mijn vader samen eten. De buurvrouw van mijn vader vroeg hoe het met haar ging.

„Prima”, zei ze. „Dank u.”

„U bent in het ziekenhuis geweest, hè?”

„Nee hoor. Ik ben een paar dagen uit geweest.”

„O ja?” zei de buurvrouw.

„Ja”, zei mijn moeder en ze wees naar ons. „Met mijn dochters.”

„Renske nou toch”, zei mijn vader.

Maar ze luisterde niet naar hem. „We zijn in Parijs geweest.”

„Wat gezellig”, zei de buurvrouw. „Hebben jullie gewinkeld?”

„Dat geloof ik niet”, zei mijn moeder. „We waren in een hotel. En mijn man” – ze gebaarde in zijn richting – „was er ook bij. We hebben het heel goed gehad. Toch? Wim?”

Sindsdien is er meer dan een jaar verstreken en ze zijn er nog steeds. Mijn vader is bijna volledig blind, zijn benen zijn volledig verlamd. Mijn moeder heeft twee keer een longontsteking gehad en zeven keer een blaasontsteking. Ze wordt altijd weer beter, of ze nou wel of geen antibiotica krijgt. Elke maand bijt ze wel een keer in haar slaap op haar tong en vallen doet ze bijna dagelijks, zonder iets te breken. Alle avonden zegt ze tegen mijn vader dat ze „paniek heeft” en dood wil. Maar haar euthanasieverklaring is twintig jaar oud. Dus wat moeten we? Mijn vader vraagt het weleens aan haar. „Hoe had je je dat voorgesteld, Renske? Wil je uit het raam springen?”

„Ja”, zegt ze dan.

„Of voor de trein?”

„Ja.”

Maar de ramen van haar kamer kunnen niet open en de deur naar buiten zit op slot.

„Hou dan op met eten en drinken”, zegt mijn vader.

Dan zegt ze ook ja. De volgende ochtend is ze het vergeten en eet ze met smaak haar boterham.

Tegen mij zegt ze nooit dat ze dood wil. Alleen dit: „Ik moest niet zo treurig zijn.” Of: „Mijn ziel doet pijn.”

Dan de gewetensvraag. Als dit lijden voorbij is, wie is er dan verlost? Mijn moeder? Mijn vader? Ik?

    • Jannetje Koelewijn