De clichés van Schnabel

Het meest verwonderlijke aan het rapport Onderwijs2032 is dat nergens valt te lezen voor welk probleem dit advies eigenlijk de oplossing is. Moet je bij Rijkswaterstaat wel eerst een scheur in de dijk kunnen aantonen voor je mag uitrukken met de graafmachines, in de wereld van het onderwijs is ‘defect’ de default.

Dat er een probleem is, spreekt vanzelf. Hoe zou er, met zo’n enorme onderwijsbeleidsindustrie, géén probleem kunnen zijn? Falen, tekortschieten, ‘niet meer van deze tijd zijn’ – het is de tweede natuur van het onderwijs. „Leerlingen zijn erbij gebaat dat de veranderingen zo snel mogelijk in gang worden gezet”, staat al op een van de eerste bladzijden. Sowieso uiteraard, begrijp je?

Urgentie als nulstand.

In de vijftien jaar dat Paul Schnabel leiding gaf aan het Sociaal Cultureel Planbureau heeft hij helaas geen allergie voor prietpraat en clichés ontwikkeld, maar een resistentie. De montere onbekommerdheid waarmee hij ze rondstrooit, is verbijsterend.

Dit kan niet waar zijn, denk je in het begin. De commissie Onderwijs2032 bestáát waarschijnlijk helemaal niet, het is een project van Rambam, om aan te tonen dat je de onderwijswereld alles wijs kunt maken, ook al komt het uit een online clichégenerator. Kennis wordt in dit rapport nooit ‘verworven’ of ‘overgedragen’, maar altijd ‘ontwikkeld’. Het is een dialoog, een samenspel, een interactie… weet je?

Zoals Beatrijs Ritsema al schreef in Vrij Nederland: „Ongelooflijk hoe alle onderwijsdooddoeners van de laatste veertig jaar hier worden opgewarmd en geserveerd met een aplomb alsof het zwarte garen is uitgevonden. Onderwijs dat moet aansluiten bij de leefwereld van het kind, kinderen als eigenaar van het leerproces, toetsencircus loslaten, onderwijs-op-maat-trajecten: het is déjà vu all over.”

De hele operatie is ook een voorbeeld van modern populistisch bestuur. Wij vormen geen commissie van wijze mannen en vrouwen die achter gesloten deuren een advies opstellen, nee, er wordt een reizend circus opgetuigd, een ‘nationale brainstorm’, een ‘consultatieronde’, gevolgd door een ‘dialoogronde’, een ‘vooradvies’, een nieuwe feedbackronde en toen het eindadvies. Dit natuurlijk ter voorkoming van elitaire topdown beleidsvorming, u weet wel, vanuit een ivoren toren.

Zoals Maarten Huygen bij verschijning van het rapport in NRC al signaleerde: veel discussie vond tijdens al die bijeenkomsten niet plaats, de conclusies lagen al zo’n beetje vast. In het rapport wordt ook nergens verantwoord hoe de inbreng van al die meepraters eigenlijk is gewogen. Ondanks al die hippe song and dance was de procedure van Onderwijs2013 dus net zo intransparant als een ouderwetse commissie in een gelambriseerd achterkamertje.

Hoewel er geen diagnose is, heeft medisch comité Schnabel wel een remedie. Hier komt-ie: ‘toekomstgericht onderwijs’. Senioren terug naar de basisschool sturen om hun verouderde lagereschoolkennis bij te spijkeren en andere vormen van verledengericht onderwijs – wij moeten daar echt mee ophouden.

Het onderwijs moet voortaan op de toekomst gericht zijn. En die urgente transitie hebben wij dus in handen gelegd van iemand die in een rapport 41 keer ‘toekomstgericht onderwijs’ schrijft, zonder te beseffen dat het een pleonasme is.

De hele operatie is een perfect voorbeeld van kalenderdenken: het misverstand dat je aan de toekomst bouwt door erop te anticiperen. Daar komt ook het eigentijdse begrip ‘toekomstbestendig’ vandaan: de toekomst is niet iets dat we samen maken, maar iets waarvoor wij ons gereed moeten maken. Iets dat wij moeten doorstaan.

De huidige situatie is niet meer van deze tijd (geen probleemstelling, uitsluitend een verwijzing naar de kalender) en daarom moeten wij haar toekomstbestendig maken (geen oplossing, opnieuw slechts een verwijzing naar de kalender).

Maar als iedereen voortdurend anticipeert op de toekomst, wie bouwt hem dan?