De belofte van het antwoord op alle vragen

Methoden Hedendaagse historici moeten voor hun onderzoek enorme verzamelingen digitale bronnen doorspitten. Zonder big data tel je niet meer mee.

Montage Fotodienst NRC

Is dit symbolisch? Dat het hart van ‘big history’ klopt op het Science Park in Amsterdam, het universitair hoofdkwartier van de bètawetenschappen. Ver van de geesteswetenschappen zit Fred Spier er te werken aan een theorie van de mensheidgeschiedenis, aan een model dat in principe op álle gebeurtenissen in het menselijk verleden toepasbaar moet zijn. Hij gebruikte geschreven teksten maar ook alle andere bronnen die informatie bieden over het menselijk verleden, en de inbedding van het genus mens binnen de biologische, geologische, planetaire en kosmische context. Dit is geschiedenis „in het grootst mogelijke perspectief”.

Big history, dat was een van de (vele) antwoorden op de vraag: welke ontwikkelingen zijn er op dit moment gaande in de wetenschap van de geschiedschrijving? Die vraag is voorgelegd aan een min of meer willekeurige groep hoogleraren, docenten en studenten uit redacties van historische tijdschriften (zie kader).

De bèta-isering van de geschiedwetenschap werd vaak genoemd in de antwoorden, ook in verband met big history. De invloed van exacte wetenschappen en computer wordt beschouwd als de belangrijkste van voortdurende ‘vreemde’ invloeden op de geschiedswetenschap.

In de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw maakte de geschiedswetenschap een linguistic turn, onder invloed van de taalwetenschappen. Het was de opmaat naar het postmodernisme van de jaren 80 en 90. De jaren van het narrativisme, waarvan Groninger Frank Ankersmit de belangrijkste theoreticus was. Centrale idee: de historicus geeft geen betekenis weer die hij opdiept uit bronnen van het verleden, maar geeft betekenis aan brokstukken van het verleden in een verhaal dat noodzakelijkerwijs subjectief is.

„We zijn het postmodernisme alweer voorbij”, zegt Joris van Eijnatten, cultuurhistoricus uit Utrecht. „Die weg is eind jaren 90 doodgelopen. Logisch, als je stelt dat alle uitspraken strikt subjectief zijn, dan kun je nooit meer een geldige uitspraak doen over het verleden en wordt de wetenschap betekenisloos.”

Betekenisloos – dat is wel het grootste schrikbeeld. De geesteswetenschappen, waar geschiedenis onder valt, verkeren in crisis. Historici zijn op zoek naar een nieuwe relevantie, zegt Jilt Jorritsma, redacteur van historisch tijdschrift Groniek. „De historicus, zegt men zelf, is zijn stem kwijtgeraakt. Nu wordt vooral geluisterd naar economen.”

Een van de publicaties die vaak wordt aangehaald, is The History Manifesto (2014) van David Armitage en John Guldi – in hun eigen woorden „een ‘te wapen!’ voor historici”. Zij zien historische onderzoeken op de vierkante millimeter als oorzaak van de afgenomen relevantie. Micro-storie van Carlo Ginzburg (De kaas en de wormen, 1976) of Emmanuel Le Roy Ladurie (Montaillou, 1975) vinden ze nog prachtig, maar alle gekriebel uit archiefjes van daarna heeft de geschiedenis bijna de das omgedaan. Het wordt tijd, schrijven ze, voor de herwaardering van de longue durée, de geschiedschrijving die eeuwen beslaat en nadruk legt op structuren in plaats van incidenten.

Hoeveel schepen in de Sont in 1650?

Daar komt de belangrijkste ontwikkeling, volgens de ondervraagde historici, om de hoek kijken, die van big data of digital humanities – alles in het Engels, anders lijkt het sowieso irrelevant. Computerprogramma’s zijn bij uitstek geschikt om structuren te zoeken.

„Big data is wat groeit”, zegt emeritus hoogleraar Wessel Krul: „We hebben er de middelen voor, gedigitaliseerde bestanden, computers. En nu het er is, moet je het ook wel gebruiken als historicus.”

Klaas van Berkel, lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen (KNAW), zegt: „Iemand die carrière wil maken in de geschiedswetenschap, zet nu in op digital humanities. Daar ligt de belofte van het antwoord op alle vragen. Bij de KNAW zie je hoeveel plannen er worden gemaakt op dit terrein. Bij NWO zie je het aan de aanvragen voor financiering.”

In 2014 ontving het project CLARIAH een NWO-subsidie van 12 miljoen euro. Het doel: de ontwikkeling van een digitale infrastructuur. „Grote hoeveelheden data en software uit verschillende geesteswetenschappelijke disciplines worden aan elkaar gekoppeld en digitaal doorzoekbaar gemaakt”, aldus het persbericht van de KNAW.

Joris van Eijnatten is enthousiast. „Digital humanities 1.0 was wat sociaal-economische historici sinds eind jaren 70 doen: grote databanken met gestructureerde data onderzoeken. In essentie is het tellen. Hoeveel schepen voeren er door de Sont in 1650? Digital humanities 2.0 gaat niet over gestructureerde data maar ongestructureerde data. Plat gezegd: een brij aan teksten en daarin door zoekopdrachten patronen en structuren ontdekken.”

Alles komt uit bij de oerknal

Fred Spier, docent ‘big history’

Hij omschrijft zijn werk als culturele text mining. „We zoeken naar verschuivende betekenissen van begrippen. Ik doe bijvoorbeeld onderzoek naar de veranderende lading die het begrip ‘Europa’ heeft gekregen.”

Inger Leemans van de Vrije Universiteit in Amsterdam heeft onderzoek gedaan naar embodied emotions. In teksten uit de zeventiende en achttiende eeuw zocht zij, zocht een computerprogramma, naar begrippen met een emotionele lading. Ze bekeek welke betekenis die begrippen hadden en met welk lichaamsdeel die in verband werden gebracht. Van haren die te berge rezen tot tenen die kromden.

Emoties als onderwerp, zegt Van Eijnatten, „dat kan een hypeje zijn, dat is over vier, vijf jaar wel weer weg”. Maar de methodologische vernieuwing, de computer als gereedschap, die zal blijven. „Denk ook aan digitally born material: mails, social media. Die bronnen kún je alleen met de computer onderzoeken.”

Er zijn ook sceptischer historici. Martin Bossenbroek bijvoorbeeld, schrijver van een van de zeldzame historische bestsellers in Nederland, De Boerenoorlog (2012). „Door de introductie van big data in de geschiedwetenschap hebben sommige beoefenaren van het genre het gevoel: nu horen we er pas bij, bij de echte wetenschap. Als je er maar genoeg data in stopt, komt de oplossing er aan de achterkant van de computer vanzelf weer uit. Het is een manier om het vak te legitimeren.”

Bossenbroek onderbreekt zichzelf even om te onderstrepen dat hij niet afwijzend staat tegenover data-gedreven onderzoek. „Ik ben gepromoveerd op een onderzoek van de stamboeken van het Indische leger – met de computer, natuurlijk. Ja, digitalisering versnelt ons onderzoek. De tekstensite Delpher is een zegen. Maar methodologisch verschilt het niet essentieel van het ouderwetse bladeren door krantenleggers. De computer is een middel. Big data is een methode. Je moet ze niet tot doel verheffen. De bronnen hebben nooit voor zichzelf gesproken en zullen dat ook nooit doen.”

Bossenbroek en Van Berkel ergeren zich wel aan de dominantie van de digital humanities. Van Berkel ziet steeds dezelfde thema’s opduiken in de NWO-aanvragen. „Iedereen haakt nu aan bij digital humanities. Als je iets wilt voorstellen in de cultuurgeschiedenis, dan laat je het modewoord ‘persona’ vallen in je aanvraag. Het werk van de historicus is strategischer geworden. De vrijheid om tegen de stroom in te onderzoeken is beperkt.” Bossenbroek: „Je kunt nog altijd historicus zijn met een degelijke analyse van je bronnen en een goed geschreven verhaal als resultaat. Maar dan teken je wel voor stagnatie in je wetenschappelijke carrière.”

Schijn van objectiviteit

Student Jilt Jorritsma zat vorig jaar in een masterclass van David Armitage. De auteur van The History Manifesto sprak in Nederland voor uitverkochte zalen. Jorritsma hoopte te horen hoe de historicus weer relevant kan worden, maar was een tikje teleurgesteld. „Het gevaar van big data is dat je alleen onderzoekt wat in getallen te vangen is.” Ook hij onderstreept dat bronnen niet voor zich spreken. „De taak van een historicus is dat hij informatie uit het verleden betekenis geeft.”

Van Eijnatten kent de heftige discussie die rond digital humanities is ontstaan. „Wekt het niet de schijn van objectiviteit? Maar wij hebben veel geleerd van het narrativisme. Er is een realiteit, daar kun je patronen in ontwaren. En je moet een hermeneutische methode gebruiken om die patronen te duiden – dat is het subjectieve element.”

De oude methodes worden niet weggegooid, zegt Van Eijnatten. Maar je moet tegenwoordig wel echt iets van computers snappen. Studenten zijn vaak wat terughoudend, zegt Leemans. „Die zijn juist vaak geesteswetenschappen gaan studeren omdat ze niet zo heel enthousiast werden van programmeren en computers.” Leemans kan zelf een eind komen met programmeren, maar niet ver genoeg. Dus moet ze intensief samenwerken met mensen buiten haar vak. Van Eijnatten: „De historicus heeft kennis van het domein. De informaticus is de architect, die ontwerpt een algoritme om de vraag van de historicus te kunnen beantwoorden. De programmeur is de loodgieter, die zet het programma in elkaar.”

Zowel in de methode (computergestuurd onderzoek) als in het onderzoeksveld, zo zeggen vrijwel alle geïnterviewden, is het klassieke, negentiende-eeuwse onderscheid tussen cultuur en natuur, tussen sociale wetenschappen en bètawetenschappen intussen opgeheven. Interdisciplinariteit is geen modewoord meer. Van Eijnatten: „Onderwerpen als de klimaatverandering, als epidemieën, om die in historische context te bestuderen moet je kennis van cultuur en natuur combineren.”

En daarmee zijn we weer bij de big history. Fred Spier, opgeleid in de sociale wetenschappen, betrekt in zijn onderzoek de kennis van biologie, geologie, natuurkunde, economie. Voor hem is de tektoniek van de aardplaten even belangrijk als de verspreiding van epidemieën, de lokalisering van kostbare delfstoffen en de fundamentele natuurkunde van het heelal.

Eelco Runia, docent theoretische en intellectuele geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen, was in 2012 bij een congres in Grand Rapids over big history. „Op de eerste dia die ik zag, stond: ‘And then there was… You’. Het is allemaal zo triomfalistisch en doelredenerend – alsof de hele geschiedenis noodzakelijkerwijs moest leiden tot dit moment in het heden van ons.” Fred Spier weerspreekt dit. „Die dia hoorde bij de presentatie van een kinderboek. En alle big historians die ik ken benadrukken de grote rol van het toeval. De inslag van een meteoriet die het einde van de dinosauriërs zou hebben veroorzaakt en zo ruimte maakte voor zoogdieren, wordt in dit verband vaak genoemd.”

Runia herkent de passie van historici om elke gebeurtenis van wortels in het verleden te voorzien en elke gebeurtenis uit het verleden van een wortel in de tijd daar weer voor. Zoals Fred Spier het zegt: „Alles komt uit bij de oerknal.”

De historicus die opziet tegen het idee dat hij natuurkundige, geoloog en econoom moet zijn, arts en algoritmeschrijver tegelijk, hoeft niet moedeloos te worden. „Veel onderzoekers”, zegt Joris van Eijnatten. „willen nog ouderwets de archieven in, een oude tekst bestuderen, in context plaatsen en een boek schrijven.”

„Het optimistische idee dat je in de bronnen de geschiedenis kunt vinden wie es gewesen ist, is wel ontmaskerd door het narrativisme”, zegt Eelco Runia. Maar toch is de praktijk van veel historisch onderzoek is in grote lijnen nog altijd negentiende-eeuws.” Frank Ankersmit: „Veertig procent van de historici zal blijven doen wat ze altijd al deden.”