Dat is een taak voor de familie, zegt de thuiszorg steeds

Mantelzorg voor haar zieke vader dreigt Malou van Hintum op te breken. ‘Blijf jij wel hier, want ik krijg hem alleen niet in bed’, zegt de verzorgster. Hoe had ze dat dan gedaan als ik hier niet toevallig was geweest?

Het is dinsdagavond 23:45 uur. Ik lig rillend en hoestend onder een dekentje op de bank als de telefoon gaat. De thuiszorg van mijn vader. „Uw vader heeft een longontsteking en ik heb hier een recept voor antibiotica. Komt u dat ophalen?”

Mijn vader woont anderhalf uur rijden bij mij vandaan. Ik zeg nee. Ik zeg: „Ik ga geen drie uur in de auto zitten om een recept naar de plaatselijke apotheek te brengen. Bovendien ben ik ziek.”

De thuiszorg: „Maar dat is wel een taak voor de familie.”

„Hallo, ik ben ziek én ik woon op anderhalf uur rijden.”

„Dat is uw probleem.”

Na enige discussie wordt er een taxichauffeur op stap gestuurd en krijgt mijn vader zijn antibiotica dezelfde nacht nog. Die houdt hij niet binnen; hij geeft ‘s nachts voortdurend over. Woensdagochtend wordt hij daarom als de wiedeweerga naar het regionale ziekenhuis vervoerd. De huisarts belt me terwijl ze op de ambulance staat te wachten: „Hij heeft zuurstoftekort en kleine wegrakingen.” Nou, dan ga je natuurlijk meteen. Een paar paracetamols erin en rijden maar.

Dat zie ik verkeerd, want…

Ze zullen hem minstens vier dagen houden, zegt de internist. Dat komt goed uit; dan kan ik in het weekend op weg naar hem toe de rolstoel ophalen die is achtergebleven toen hij naar het ziekenhuis werd vervoerd, want hij moet met de rolstoeltaxi naar huis terug (mijn vader in een gewone auto vervoeren lukt niet meer). En een jas meenemen, ook wel fijn met dit weer. Intussen breek ik mijn hoofd over deadlines die ik niet ga halen, maar ja, first things first. Ik zucht, want die dinsdag na dat weekend moet ik met hem naar de geriater. En die maandag dáárop krijgt hij zijn periodieke ijzersuppletie – gelukkig kan ik met het ziekenhuis regelen dat ik niet zelf hoef te komen om hem van de lift naar de betreffende afdeling te rijden en weer terug, een ritje van twee keer vijf minuten.

Donderdag ben ik tot 21:30 uur in het ziekenhuis, met bouillon die ik woensdagnacht heb gemaakt (heus, ik ben echt niet te beroerd om ’s avonds laat wat voor mijn vader te doen). „Weet u het al?”, zegt een verpleegkundige. „Hij mag morgen naar huis.”

Dat betekent: nú zijn jas en rolstoel ophalen, alvast alles meenemen wat niet meer nodig is, en de overgebleven spullen klaarzetten voor zijn vervoer de volgende dag. Na krap anderhalf uur sta ik weer naast zijn bed.

„U bent er morgen natuurlijk ook bij”, glimlacht de verpleegkundige. Uhhh, nee. „Ik ben hier al twee dagen. Dinsdag ga ik ook weer met hem op stap. Ik kan hier niet vrijdag wéér zijn. U hebt werk, he? Nou, ik ook. Bovendien zou ik vrijdag alleen maar komen om met mijn eigen auto achter de rolstoeltaxi aan te rijden, dus ik ben ook niet echt nodig.”

Dat zie ik verkeerd, want: „We geven uw vader maar voor één dag medicatie mee, en iemand moet het recept voor de rest van de antibiotica afleveren bij de apotheek.” Wéér die apotheek! „Kunnen jullie dat niet faxen? Dat doen zijn specialisten ook altijd. En dan zet de apotheek zijn medicijnen in de meterkast.” Dat kan niet. Want „dit is een taak voor de familie”. Wéér die familie!

Wat is eigenlijk géén taak voor de familie, buiten de basale dagelijkse verzorging om?

Ik weiger. Uiteindelijk krijgt hij op vrijdag alle benodigde medicijnen mee. Dat is maar goed ook, want donderdagnacht breng ik boven de wc door en vrijdag kun je me opdweilen. Ik had helemaal niet naar mijn vader gekund, zelfs als ik dat graag had gewild.

Ik stopte laatst nieuwe batterijtjes in het gehoorapparaatje van mijn vader, en zag dat de openingen vol zaten met oorsmeer. Tja, dan helpen nieuwe batterijtjes ook niet. De verzorgster die ik daarop attendeerde, zei: „Ja, maar dat apparaatje schoonmaken is een taak voor de familie.” Maar ja, ‘de familie’ is er niet om de paar dagen.

Het is ook een taak voor de familie om de lange haren uit zijn hals te scheren („nee, dat zien wij niet, wij staan boven zijn hoofd”), zijn neus en oren schoon te houden, zijn kunstgebit te poetsen, de wc te reinigen als je er bent (en eigenlijk ook de badkamer en de koelkast; daar lijkt de schoonmaakster nooit tijd voor te hebben), het glas en papier mee te nemen, en strikt genomen moet mijn vader die geen meter kan lopen zelf zijn afval wegbrengen, maar gelukkig wordt er voor hem ‘een uitzondering’ gemaakt.

„Er is een hele lijst met taken voor de familie, die kunt u bij uw CCP (Cliënt Contact Persoon) opvragen”, zei een verzorgster laatst behulpzaam toen ik me hardop afvroeg wat eigenlijk géén taak is voor de familie, buiten de basale dagelijkse verzorging om.

Het is eveneens een taak voor de familie om het gesprek op gang te houden tussen de huisarts, de praktijkondersteuner, de pedicure, de diëtiste, de logopediste, de ergotherapeut, de fysiotherapeut, de kwaliteitsverpleegkundige, de thuiszorgmedewerksters, de casemanager en de verschillende medisch specialisten – dermatoloog, uroloog, internist, cardioloog, geriater (en laten we ook de tandarts niet vergeten) – en contact te houden met degene die de was doet, met degene die de boodschappen en de plantjes doet, en periodiek te overleggen met zijn CCP – die gelukkig wat de dagelijkse gang van zaken betreft een deel van de communicatie voor haar rekening neemt.

Zijn netwerk is 85-plus

En zijn netwerk dan, zult u vragen? Zijn netwerk is 85-plus en wordt steeds gebrekkiger en steeds kleiner. Zijn vrienden en familie zijn (zeer) hulpbehoevend of inmiddels overleden.

De vriend die kleine klusjes voor hem deed, kan dat vanwege zijn snel verslechterende gezondheid niet meer opbrengen. De kinderloze tante van 95 jaar kan haar huis niet uit en begrijpt niet waarom ik niet even aankom als ik toch in de buurt ben. Een vriendin van ver in de zeventig die hem vroeger trouw bezocht, heeft zelf haar handen vol aan haar dementerende man. Ook bij haar zou ik toch echt eens langs moeten … maar wanneer?

Gelukkig is er sinds kort een (jonge!) kennis van een kennis van een familielid die hem wekelijks komt opfleuren – Joost mag weten waar we haar aan te danken hebben en, zoals mijn vader zegt: „Ze is komen aanvliegen als een engeltje, maar engeltjes kunnen ook zo weer wegvliegen!”

De twee bezoekers die nooit een week overslaan en hem ook tijdens die korte periode in het ziekenhuis onmiddellijk wisten te vinden, laten als verdiepende lectuur exemplaren van De Wachttoren achter. Mijn vader vindt het leuk dat ze komen. Vroeger ging hij graag wekelijks naar zijn bijbelclub; toen was hij nog niet volledig aan huis gebonden. Nu komt de Bijbel naar hem, inclusief een versnapering bij de thee.

Mij bevalt het helemaal niet. Als ik hoor dat ze hem die maandag zullen vergezellen naar het ziekenhuis omdat ik dat zelf niet doe, steek ik daar een stokje voor. Ik bel ze op en vraag ze zich niet te bemoeien met de dingen die ik regel.

Zo krijg je ‘sociale ondersteuning’ in de schoot geworpen die alleen maar meer kopzorgen geeft.

Drie weken na mijn vaders ziekenhuisopname overleggen we op een doordeweekse dag ‘s middags bij hem thuis met de kwaliteitsverpleegkundige. Hij heeft aanhoudend zware hoestbuien. Daarna lukt het me niet om hem vanaf de wc in zijn rolstoel te krijgen, ook al heb ik dat de afgelopen jaren al honderden keren gedaan. Gelukkig komt de verzorgster van dienst langs, en doen we het samen.

Blijf je wel hier?

Na het avondeten wil ik naar huis, maar als blijkt dat mijn vader bijna 40 graden koorts heeft en moet overgeven, bel ik na overleg met de verzorgster de huisartsenpost. „Blijf jij wel hier?”, vraagt ze. „Want zoals hij nu is, krijg ik hem straks in mijn eentje niet in bed. En er is geen collega om te helpen.” Hoe dat had gemoeten als ik er niet was geweest, weet ze ook niet.

De huisarts is er snel. Ze kan een beginnende longontsteking niet uitsluiten, en schrijft een recept voor antibiotica uit. Die moet ik meteen bij de apotheek gaan halen. Ja, ik weet het, dat is een taak voor de familie. Inmiddels hebben de verzorgster en ik mijn vader, die het af en toe uitschreeuwt van de pijn in zijn benen, voeten en rug, in bed gelegd.

Als ik van de apotheek terugkom, ligt hij rustig te slapen. Ik leg instructies neer voor de zorg en blijf even bij zijn bed zitten. Ik pak zijn rechterhand vast, streel zijn wangen, druk een kus op zijn voorhoofd en ben ontroerd als ik hem zo zie. Blij dat hij slaapt, bang voor morgen.

Op de snelweg schiet ik lekker op. Het is dan ook middenin de nacht.