Catwalk

Het is nog rustig in Café Luxembourg. De stad is reeds ontwaakt. Een leverancier laat de laadklep van zijn vrachtwagen zakken, toeristen met wollen mutsen sjokken lusteloos achter elkaar aan, en er staat al een half aangeklede man met twee verschillende schoenen aan tegen zichzelf te schreeuwen terwijl hij papiertjes van de grond raapt waar hij kort aan ruikt voor hij ze weer terug werpt. Een dag als alle anderen. Omdat ik mij doorgaans op een later tijdstip in dit café begeef –ik kom hier voornamelijk wanneer ik een kater heb, om garnalenkroketten met gefrituurde peterselie op wit brood te eten – en het er dan vaak erg druk is, valt mij vandaag pas de pianomuziek op. Het is jazz.

Omdat de serre uitzicht biedt op het Spui is het een prettige plek om mensen te kijken. Er loopt van alles rond. Op de bankjes op het plein zitten, net als in de serre, ook altijd mensen naar mensen te kijken. Als twee tribunes langs een catwalk kijkt men naar elkaar en naar alles wat er tussendoor voorbij schuift.

Ik kom hier al sinds mijn tienertijd. Ik woonde pas net in Amsterdam en achtte lunchen met wijn een zeer volwassen bezigheid die ik door veelvuldige oefening – soms twee keer per dag – zo snel mogelijk onder de knie trachtte te krijgen. Onder andere hier. Een tijdlang had ik vanaf de overkant van het Spui zelfs zicht op dit etablissement. Ik woonde er op een zolderkamertje en gebruikte de serre van Luxembourg als woonkamer omdat er daar minder verhuisdozen opgestapeld stonden maar wel meer kranten lagen.

Toen het overgenomen werd door Heineken en de Saint Veran van de kaart verdween, evenals het broodje dat ik er placht te eten, kwam ik er niet meer. Maar oude liefde roest niet en de laatste jaren zien we elkaar voorzichtig aan weer. Ook vanwege de citroentaart. Nu, tegen elven, zit er al een dame met een opgestoken coupe aan een glas wijn. Een gesoigneerde heer met achterover gekamde grijze haren hing net zijn jas aan de kapstok, en nestelt zich aan de krantentafel, en in een hoekje zit een onderuitgezakte tiener met blauw haar in een tosti te prikken. Over het plein loopt een krom gegroeide bejaarde vrouw over de hobbelige keien. Het kan haast niet anders of ze woont in het Begijnhof, ik zou werkelijk niet weten hoe ze hier anders terecht is gekomen op dit tempo.

Omdat ik niet durf te kijken verplaats ik mijn blik naar het kleine balkon boven boekhandel Atheneum. Daar staat altijd wel iemand te roken en zich onbespied te wanen. De rokers op dat balkon kijken vaak treurig. Maar misschien wil ik dat ze treurig kijken, omdat ik zelf niet meer rook. Over de catwalk lopen boze vrouwen met vierkante wenkbrauwen, mannen met platte achterhoofden en X-benen, oude meisjes met staarten, uitgelopen mascara en een pluizige jas met koeienvlekken aan, en oranje geverfde mensen met kleine honden. Dan word er een bus vol toeristen opengezet.

Er stromen allemaal exacte kopieën van elkaar uit. Het verschil zit hem slechts in de kleur kleding. Blanke oude grijze mannen en vrouwen met kort haar, een beige, zacht groene of grijze jassen aan, brillen op en beige pantalons aan. En dan zeggen ze dat Japanners op elkaar lijken. Nee, hier mensen kijken stelt werkelijk nooit teleur.