‘Alles moet in dit leven gebeuren’

schreef in zijn spaarzame tijd een boek over rusteloosheid. De mens van nu klaagt over zijn drukke bestaan, maar propt zijn vrije tijd vol. ‘Dat is een interessante paradox.’

Lees dit liedje eens, van de Vlaamse zangeres Mira. Korter kan ik het boek Rusteloosheid van filosoof Ignaas Devisch niet samenvatten. Mira zingt: ‘Ik moet dringend ergens een berg gaan beklimmen / Of een stuk of twintig losse relaties beginnen / Want anders kruip ik in mijn kist / Met het jammerlijk gevoel / Dat ik iets heb gemist’

Zoveel keuzes en er is zoveel te doen, dat je altijd iets zult missen, hoeveel je ook doet. Nu noemen we dat fomo, fear of missing out. Maar is dat een typisch verschijnsel van deze tijd, met Instagram, elke week een festival en goedkope chartervluchten? Nee hoor. In zijn boek citeert Ignaas Devisch ook uit correspondentie van een rusteloze, veertiende-eeuwse koopman uit Toscane. Succesvol, rijk, maar tóch ontevreden. Want hij heeft zich én „het ziekbed ingewerkt” én hij is niet toegekomen aan alles wat hij had willen doen.

De mens klaagt dat hij het te druk heeft, maar tot niets doen is hij niet in staat. Tiens, zegt Ignaas Devisch. „Dat is een interessante paradox.” Hij schreef het boek over rusteloosheid in de spaarzame tijd die hij heeft naast zijn twee kinderen van 12 en 13, en zijn twee banen. Hij is hoogleraar filosofie aan de medische faculteit in Gent en docent aan de Arteveldehogeschool. We spreken af in Gent, bij een restaurant dat Allegro Moderato heet. Gematigd tempo, betekent dat in muziektermen. Gelegen aan de kade langs rivier de Leie. Studenten picknicken, toeristen warmen zich in de lentezon, een stelletje ontkurkt een fles cava. Zijn ze ontspannen? Is dit dolce far niente, zalig nietsdoen? Zijn ze even ontsnapt aan hun jachtige bestaan? Of zien we hier wat filosofen actieve verveling noemen? De existentiële leegte die mensen voelen als ze het té goed hebben. Verveling niet ondanks maar dóór te veel geluk.

Ignaas Devisch is op de fiets gekomen. Hij is tenger en tanig. Op het ascetische af. Vast en zeker een duursporter. In zijn boek heeft hij het over de hedendaagse asceet. Hij schrijft over de topmanager die hard werkt, sober leeft, matig eet en niet drinkt. Niet uit respect voor god, maar omdat hij in training is voor een triatlon. „De mens is zich gaan realiseren dat er geen hiernamaals is. Alles moet in dit leven gebeuren.” En om uit dat leven „alles te halen” peigert de mens zich af. De ‘NV Ik’ moet groeien. Stilstand is slecht, status quo saai en wie zich onttrekt aan de vlucht voorwaarts blijft steken in zijn comfortzone.

Als ik beweeg, ontspan ik

Inderdaad, knikt Ignaas Devisch. Hij is een hardloper. Marathons? Dat ook. Als kind was hij al dol op sport. „Dat deed iets met mij. Als ik beweeg, ontspan ik mij. Aan hoe mijn lichaam reageert, merk ik hoe ik me werkelijk voel.” Hij kon goed voetballen. Maar zijn vader, ambtenaar, en zijn moeder, huisvrouw, vonden het voetbalmilieu ongeschikt voor hun zoon. Hij ging op volleybal, en toen hij, zo rond zijn dertigste, geen tijd meer had voor sporten in competitieverband is hij gaan rennen. Over een marathon doet hij drie en een half uur. Sneller zou kunnen, maar dat wil hij niet. „Dan moet ik veel te veel trainen.” En dan is lopen niet leuk meer, maar stress. „Ik zie wel renners doodnerveus aan de start verschijnen.” Materiaal tip top in orde, de juiste trainingsopbouw, uitgekiend dieet. Ze moeten en zullen hun zelf opgelegde doel behalen.

Filosofie studeren, dat was – naast voetbal – het tweede taboe bij hem thuis. Dus is hij, om zijn ouders ter wille te zijn, eerst een opleiding tot sociaal werker gaan doen, in de „volstrekte zekerheid dat ik het vak niet één dag zou uitoefenen. Daarna studeerde hij, op eigen kosten, filosofie. Hij las boeken waarin vragen werden opgeworpen die hij als jongen op de strengkatholieke Latijnse school ook stelde, maar die hem toen door medescholieren en leraren niet in dank werden afgenomen. Dat hij „frèle, schuchter en verlegen” was hielp ook niet. Hij werd gepest, haalde slechte cijfers, keerde in zichzelf – hij „implodeerde” zegt hij zelf – en moest van school af. Eenmaal op de universiteit, las hij Foucault en Nietzsche, „zware kleppers” misschien, maar wél een openbaring. „Ineens bleek dat ik lang niet zo achterlijk was als ik op het college leek.”

Een filosoof, zegt hij, danst op de huid van de tijd. „Ik constateer iets in mijn omgeving en het is mijn job daarover na te denken.” Dit ziet hij: mensen zeggen dat ze het ‘druk, druk, druk’ hebben. Met hun studie, baan, kinderen. Ze hunkeren naar rust en vertraging in hun bestaan en zoeken naar balans en evenwicht. Maar diezelfde rustzoekers plannen hun vrije tijd vol activiteiten. Er moeten cursussen Frans gevolgd, er moet geyogaat en gemediteerd. Er zijn feestjes te bezoeken, er moet buiten de deur gegeten, iets leuks ondernomen met de kinderen. Zelfs een etentje thuis met vrienden mondt uit in een krachttoer met een mooi gedekte tafel en zelfgemaakte raviolischelpjes. En dan is het weekend voorbij en zijn we weer niet bij onze oude ouders langs geweest en de wandelvakantie langs de Italiaanse kust nog niet uitgestippeld. De vraag die Devisch stelt is simpel: als we zoveel last hebben van de drukte, waarom zoeken we die dan zelf op?

Lees zijn boek vooral niet als je hoopt dat hij daarin een strategie geeft voor een minder jachtig bestaan. Dat doet hij namelijk niet. Hij denkt juist dat alle „trucs en tips” om meer rust en ontspanning te vinden, een deel van het probleem zijn. Hij knipte eens twee advertenties uit dezelfde krant. Een personeelsadvertentie en één waarin een mindful-achtige cursus wordt aangeboden. „Frappant is dat in beide dezelfde begrippen worden gebruikt: wees jezelf, ontplooi jezelf, kom tot je kern.” Wat hij bedoelt is: de zoektocht naar rust en regelmaat vereist net zoveel tijd en toewijding als een carrière. „Onze aanhoudende poging om compensatie te vinden voor ons drukke bestaan, getuigt van dezelfde rusteloosheid.”

Synoniem voor saaiheid en sleur

Ignaas Devisch prikt zijn vork in een perfect gegaarde asperge. „Ik kook graag,” deelt hij mee. „Er zijn mensen die koken saai vinden. Ik kijk ernaar uit.” Thuiskomen, koelkast opendoen, kijken wat er te fabriceren valt van wat er in huis is. En dan, in niet meer dan twintig minuten, een maaltijd op tafel zetten. „Gaande de maaltijd ontstaat er dan altijd een bepaalde rust. Iedereen is volop aan het eten. Dan hoor ik dat het smaakt.” Er zijn ook mensen die elke dag koken stressvol vinden. Hij niet. „De routine ervan maakt deel uit van mijn leven. Het is de dagorde die mij gelukkig maakt. Dagelijksheid is geen obstakel, maar is voor mij doorslaggevend om gelukkig te kunnen leven.” Routine? Dat was toch synoniem voor saaiheid en sleur? Kan zijn, maar hij verkiest het routineuze boven de georganiseerde rust. „Ik hoef niet naar de andere kant van de wereld om mezelf te vinden. Ik heb geen nieuwe job nodig om mezelf te ontplooien.”

Nou heeft hij het geluk werk te doen waarin hij „zichzelf herkent”. Er zijn genoeg mensen die hun werkdagen aftellen tot het weekend begint. Die werk sowieso zien als tussenstation op weg naar vakantie, die dan zo spectaculair mogelijk moet zijn. „Dat zorgt”, zegt Devisch, voor onrust en fragmentatie. „De vrije tijd wordt obees.” Elk uur volgepropt met ‘leuke’ dingen. Het rapport ‘Lekker vrij’ van onderzoeksbureau SCP bevestigt de redenering van Devisch: vrouwen ervaren meer tijdsdruk, ook al hebben ze meer vrije tijd dan mannen. „Ik lees graag vrouwenmagazines. Voor vrouwen is ontspannen werk. Er moet gesport, genoten, en als er gezondigd is, moet er gedieet. Een modern leefpatroon wordt opgelegd volgens religieuze normen.”

Zelf ervaart hij nauwelijks stress en druk maakt hij zich ook niet meer. Hij weet nog precies hoe dat is gekomen. „Dat was op het moment dat ik me realiseerde dat het nooit genoeg zou zijn wat ik deed.” Professoren moeten publiceren. Nou had hij in één jaar toevallig buitensporig geproduceerd. „Echt een boerenjaar. De oogst was super.” Wat volgde was geen beloning, zelfs geen compliment. Maar een collega die zei: „Nou, Ignaas, volgend jaar doe je het hopelijk nóg beter.”

Hij wordt gebeld en nog een keer, maar maakt niet de indruk dat hij zich opgejaagd voelt. Ondertussen voel ik wel wat spanning opkomen. Want wat bedoelt hij nou precies? De mens wil een leeg leven, maar propt het vol. En krijgt daar stress van. Dus? Ophouden met van alles willen? Nee, zegt hij. Want wie niks verlangt, slaapt of is dood. Van hem zal je niet horen dat het ‘minder, minder’ moet. Rusteloosheid kan een gevuld en druk leven opleveren. Wat heel iets anders is dan een gejaagd en onbevredigend leven. Aha. Dus dan maar ophouden met krampachtig te ontspannen? Toch nog maar eens het laatste hoofdstuk van zijn boek lezen, met daarin zijn pleidooi voor een mateloos leven. En dan proberen niet steeds terug te bladeren naar wat Blaise Pascal , filosoof uit de zeventiende eeuw zei over rusteloosheid. De oorzaak van alle ellende volgens hem: het onvermogen van de mens om rustig in een kamer te blijven. Al was het maar heel even.