Column

14.14

Witte donderdag. Was net de verstopeitjes op kleur aan het sorteren toen de telefoon ging. Mijn zoon. Johan Cruijff was overleden. Ik zapte naar teletekst en daar stond het in koeienletters. Nog geen details. Die zouden volgen. Vanaf dat moment werd het chaos. In mijn hoofd, mijn mobieltje, mijn iPad, mijn laptop, mijn televisie, mijn vrouw, mijn vrienden. Het huilen stond me nader dan het denken. Johan dood. Onmogelijk. Johan was van iedereen. Een vriend, een broer, een neef, een buurjongen, een oom, een stamgast en hij was onsterfelijk. We wisten dat hij ziek was, maar het ging goed. Hij stond met 2-0 voor. Had hij zelf gezegd. Oké, hij kletste wel vaker uit zijn nek, dat maakte hem juist zo leuk en bijzonder, maar toch…

Of hij een jeugdheld was? Nee. Hij was meer. Hij was mijn hele jeugd. Toen ik negen was debuteerde hij bij Ajax en vanaf dat moment sjouwde hij door mijn dromen. En niet alleen mijn dromen. Hij was elke zondagavond op de televisie en had de ene mooie actie nog niet gemaakt of hij was al met de volgende bezig. Allemaal in zwart-wit. Het leken dromen, maar het was allemaal echt gebeurd. Die middag in een stadion. Meestal in De Meer. Onnavolgbaar mannetje. Ongrijpbaar en watervlug. Als je dacht dat hij een voorzet ging geven, prikte hij hem in de goal en rekende je op een doelpunt, dan gaf hij hem alsnog af aan iemand die beter stond of die hij het gewoon gunde. Hij plukte de ballen met zijn wreef uit de lucht, echt als een Noerejev, maakte rare hakkies, onmogelijke omhalen, gaf niet te begrijpen passes, nam de leukste pingel ooit en prikte de bal weergaloos over doelman Ton Thie, die daar de rest van zijn leven slecht van heeft geslapen.

Mijn zoon belde om half twee, een kleine drie kwartier later, de helft van een voetbalwedstrijd dus, keek ik op mijn telefoon. Het was bijna kwart over twee. 14.14 om precies te zijn. Ik schrok en moest lachen. Lachen om het moment.

Mijn telefoon gloeide van de gesprekken en herinneringen. Een vriend kende Johan zijn oude adres in Vinkeveen nog uit zijn hoofd. Scholeksterlaan 41. Hij was daar 45 jaar geleden heengegaan voor een handtekening.

„Is goed jochie”, had Danny gezegd, „Johan komt zo, hij is even sigaretten halen!” Vooral om die sigaretten moesten we lachen.

Een andere vriend stuurde een tekst van Godfried Bomans, die Cruijff ooit heeft geïnterviewd.

„Johan Cruijff doet in zoverre aan een engel denken dat ook een engel niet aan de zwaartekracht onderhevig is. Ik heb hem vaak zien spelen en mij dan telkens verwonderd dat hij na afloop gewoon met de anderen mee het veld afliep en niet opsteeg en over de tribunes heen aan de einder verdween. Vermoedelijk houdt hij zich in. [...] Ook in zijn gezicht zit iets engelachtigs. Het is voornamelijk uit verbazing samengesteld, maar dan het soort verbijstering van iemand die uit een wolk op aarde gevallen is en zich dan verder zo goed mogelijk behelpt tussen de logge wezens die hij daar aantreft. Het is eigenlijk vreemd dat zo iemand dan gaat voetballen, want dat is een weinig sierlijke sport. Hoe graag ik er ook naar kijk, het blijft een tijdverdrijf voor polderwerkers [...]

De bekoring van Cruijff zit nu hierin dat men plotseling in een elftal krombenige kluitenjongens een balletdanser ziet verschijnen, die tussen al die hollende en trappende lijven gewichtloos voortzweeft en iets met de bal doet dat niemand meer volgen kan en gewoonlijk in het doel eindigt.”

De televisie ontplofte ondertussen van de meest wonderlijke acties en doelpunten en ik merkte dat ik er geen een vergeten was. Welke was de mooiste? Ik kon niet kiezen. Ik wilde niet kiezen. Ondertussen kwamen de reacties. Iedereen is in de war. In de war en verdrietig. En zo terecht. En ook scherp. Frank Rijkaard heeft bedacht dat 68 bestaat uit een 6 en een 8. Dat is samen 14.

Johan. Aardige Johan. Briljante voetballer en rare ouwehoer. Ik merk dat het verschrikkelijke Brusselnieuws in één klap uit mijn hoofd is weggebulldozerd. Ik denk aan de slachtoffers die tot hun verrassing Johan het paradijs binnen zien wandelen. Troost dat de nabestaanden? Ik hoop het maar.