We zijn allemaal schuldig

Luk Perceval De Vlaamse regisseur Luk Perceval wil theater maken in migrantenwijken als Molenbeek, maar werkt nu nog in burgerlijk Duitsland. Zaterdag gaat van hem bij Toneelgroep Amsterdam Claus’ Het Jaar van de Kreeft in première.

Toneelregisseur Luk Perceval, een maatschappelijk betrokken maker. „De moderne mens raakt impotent door de prestatiedruk die op zijn schouders rust.” Foto's Merlijn Doomernik

‘Laat maar eerst het uitkleden beginnen. Wacht eens met dat ‘mooiste kutje’?” Het zijn pikante regieaanwijzingen. Acteur Gijs Scholten van Aschat staat met blote, bezwete bast uit te hijgen. Maria Kraakman draagt kniebeschermers.

„Laat het duren!”

Regisseur Luk Perceval springt op, beent heen en weer, klapt in zijn handen, wappert met zijn armen als een dirigent, of steekt een hand op, dwingend, zoals een verkeersagent.

Ook stort hij geregeld op handen en knieën op de vloer om het even voor te doen.

„Nee, op je buik, Gijs, tussen haar benen. Probeer het eens zo – met haar onderbuik als kopkussen.”

Moe maar bereidwillig worstelen de twee acteurs zich door de ongemakkelijke seksscène – één van de vele, uit de voorstelling Het Jaar van de Kreeft bij Toneelgroep Amsterdam, naar de roman (uit 1972) van Hugo Claus. Voor wie het boek niet kent: het gaat over de verbeten, vreugdeloze seks tussen Pierre en Toni, een gedoemd liefdespaar. Gechargeerd: zij hippie, hij boekhouder; zij frigide, hij impotent. In de repetitieruimte hangen zes plastic mannelijke opblaaspoppen – her en der slingert nog de verpakking van deze ‘Peter, inflatable love doll’. In het uiteindelijke decor zullen er honderden exemplaren aan het plafond bungelen.

In Brussel voelen veel mensen zich niet thuis. Zij voelen zich niet gehoord, niet erkend

Perceval (58) gniffelt erom als een schooljongetje. De oprichter van revolutionaire Vlaamse toneelgroepen als De Blauwe Maandagcompagnie (1984, Gent) en het Toneelhuis (1998, Antwerpen) oogt energiek en jeugdig, met blozende wangen en wakkere kraaloogjes onder de rand van zijn vilten hoed – zijn handelsmerk. Maar hij is intussen een mastodont in het Europees theater. De laatste vijftien jaar werkte hij hoofdzakelijk in Duitsland: hij is Leitender Regisseur van het Thalia Theater in Hamburg en internationaal veelgevraagd gastregisseur – ook bij Toneelgroep Amsterdam. „Ik werk graag in Amsterdam. Ik ben een schipperskind en voor mijn gevoel altijd op reis, maar hier voel ik mij thuis. Er heerst een open, nieuwsgierige mentaliteit.”

Even later, nog verhit van de repetitie, verschijnt hij op kantoor bij Toneelgroep Amsterdam. En dan? Dan gaat het gesprek meteen over seks. Perceval: „Dit decor reflecteert voor mij de hedendaagse dwangmatige hang naar seks: het moet, en het moet goed zijn. Dat is zo treurig aan dit paar: zij zouden veel meer rust vinden in de tantra, waarbij het hoogtepunt geen obsessief doel is.”

Stilte. Verwachtingsvolle blik naar de interviewer. Moet ik doorvragen? Tantra?

Dan zegt hij snel: „Ik ben ook yogaleraar, dus ik ben, eh, op de hoogte.”

Elke dag om half tien begint Perceval zijn werkdag met een yogales – gegeven door hemzelf. Hij mediteert dagelijks, drinkt nauwelijks, leeft bewust, eet gezond. In zijn repetitielokaal geen peuken en koude koffie, maar kruidenthee en gedroogd fruit.

Ooit was dat anders. De man die mede het moderne Vlaams theater vormgaf, leefde tot zijn 35ste op snoep, koffie, drank en wiet. In het theater in die tijd gold: zwemmen of verzuipen, zegt hij. „We kregen heel weinig subsidie dus ik was constant bezig met: hoe krijg ik genoeg mensen in de zaal? Hoe krijg ik mijn schulden betaald? Er was geen tijd over om voor mezelf te zorgen. Ik leefde zoals veel mensen leven: niet ontbijten, overdag alleen maar roken en koffie drinken, af en toe wat zoetigheid naar binnen proppen. ’s Nachts thuis heb je dan een joint en drank nodig om te ontspannen, zo stijf sta je van alle cafeïne en adrenaline. En daarna stort je bewusteloos in bed.”

Tot hij in een Spaans restaurant in Antwerpen met zijn hoofd voorover viel in een bord gazpacho, en wakker werd in het ziekenhuis. „De arts zei: ‘Als jij dit leven nog vijf jaar zo volhoudt, zit je in een rolstoel.’ Toevallig kwam net een vriendin uit India terug met een yogadiploma op zak. Ik ben gaan mediteren, heb me in het boeddhisme verdiept, zenkloosters bezocht, en ik ben yoga master geworden. Yoga heeft mijn leven compleet veranderd.”

Dat klinkt nogal extreem.

„Sommige acteurs zeiden dat ik gek geworden was.” Lacht: „Er is blijkbaar nooit echt een middenweg bij mij.”

Zijn werk bij het Thalia Theater is overwegend succesvol. Hij regisseert klassiek repertoire – Shakespeare, Tsjechov, Strindberg – en romanbewerkingen: Hans Fallada, Émile Zola, Günther Grass. Soberheid, abstractie, kale decors en een hoge mate van concentratie en verstilling kenmerken zijn voorstellingen. In existentiële, universele verhalen stelt hij steevast de mens en menselijkheid centraal. Hoewel hij in zijn werk niet letterlijk op de politieke actualiteit reflecteert, is hij een geëngageerd en maatschappelijk betrokken maker.

Perceval toont zich begaan met de vluchtelingen in Hamburg; zijn theater organiseert taalcursussen, activiteiten en een open podium, en zelf bracht hij een Syriër onder op zijn boot, de zeventien meter lange motorboot Ilonda, in de haven van Lübeck – tot het deze winter te koud werd. Recent gooide hij de programmering van het theater om, om Früchte des Zorns te maken, naar John Steinbecks Grapes of Wrath. Een groep internationale acteurs – Duits, Pools, Russisch, Nederlands – doolt daarin in cirkels over een vrijwel leeg toneel rond een dode boom, waarmee Perceval met Beckettiaanse abstractie de Sisyfus-achtige uitzichtloosheid van migratie onderstreept.

De voorstelling werd – er is geen ander woord voor – afgefakkeld in de Duitse pers. Hij is er nog steeds beduusd van.

„Ik heb het niet zelf gelezen, maar wel gehoord, en ik probeer nog steeds om het voor mezelf te verklaren. Kijk, slechte recensies, die horen bij mijn vak, daar moet je niet kinderachtig over doen. Maar de collectieve woede waarmee dit blijkbaar gepaard ging, die kan ik niet begrijpen.”

U probeert het te begrijpen maar heeft het niet zelf gelezen?

„Toen ik het Toneelhuis leidde heb ik erg geleden onder recensies. De pers was in paniek door de opkomst van het Vlaams Blok, en ook een deel van de theaterpers werd populistischer en vond wat ik maakte plots veel te experimenteel. Ik ben vaak hard onder de gordel geraakt. Op een gegeven moment ben ik gestopt met lezen, want ik werd er echt ziek van.”

Ik vind het onacceptabel dat wij burgers zo weinig weten over IS

Ik vat de kritiek kort samen. Die Welt had het over Künstlerische Ignoranz, de toonaangevende site Nachtkritik noemde de voorstelling Sozialkitsch. Zou het ergernis kunnen zijn over de pretentie een zinvolle bijdrage te leveren aan het vluchtelingenvraagstuk?

„Dat lijkt me sterk, elk groot Duits theater probeert dat inmiddels.”

Maar bij die pretentie is falen wellicht moeilijker te vergeven.

Zucht. „Ik weet het niet. Overigens waren Theater Heute en de Vlaamse recensenten wel enthousiast.”

Perceval lokt vaker ophef uit. Kort na de aanslagen in Parijs deed hij op de Vlaamse radio een oproep aan politici om met IS te gaan praten. De Facebook-verwensingen die volgden waren niet mals. „Iemand wenste mij toe dat een IS-strijder mijn boot in de fik zou steken.” Maar zelfs na de aanslagen in Brussel deze week, de stad waar hij in 2018 weer gaat wonen en werken, blijft hij bij dat standpunt.

„Ik vind het onacceptabel dat wij burgers zo weinig weten over IS. Men doet alsof dat een soort gewelddadige aliens zijn die uit het niets zijn opgedoken. Terwijl: dat is een goed geleide organisatie. Ik wil weten welk brein erachter zit, welke strategie, welke geldstroom. Wat willen zij, wat is het doel? Als je dat in kaart hebt, kun je op het hoogste niveau doortastend met hen onderhandelen. Ik geloof niet in het bestrijden van geweld met geweld; in meer bommen en bloedvergieten. Ik vind dat we de strijd aan moeten gaan met diplomatieke middelen.”

U heeft onlangs aangekondigd per 2018 ‘multicultureel’ theater te gaan maken in Brussel, ook voor vluchtelingen en migranten, juist in wijken als Molenbeek en Schaarbeek. Wilt u dat nog steeds?

„Dat wil ik nu des te meer. Dit soort jonge aanslagplegers wordt niet geleid door een religieuze ideologie, maar door persoonlijke frustraties. In Brussel voelen veel mensen zich niet thuis. Zij voelen zich niet gehoord, niet erkend. Kunst is een van de middelen om die mensen een stem te geven.”

Kunst verbindt? Dat klinkt in deze tijd wat naïef.

„Waarom? Kunst kent geen grenzen, geen rassen, geen taalonderscheid. Theater is een medium dat spreekt van mens tot mens. We worden allemaal gedreven door enerzijds angst voor de ander, en anderzijds de drang om die ander te leren kennen; om te ontdekken dat die net is als wij, en dat er niets is om bang voor te zijn. Daar is nu bij uitstek nood aan.

„We moeten gezamenlijk een antwoord formuleren tegen de angst, anders verzanden we in paniekvoetbal en bangmakerij. Angst is een onderdeel van terreur, en dat onderdeel hebben we zelf in de hand. Dat blijf ik bewonderenswaardig vinden aan Merkel, hoe zij in het vluchtelingenvraagstuk, ondanks de reële problemen, stoïcijns blijft bij haar humanitaire overtuiging. De meeste politici doen veel te weinig om die angst onder burgers te bezweren.”

Uw geboorteland maakt een diepe tragedie door; vindt u het niet frustrerend dat u nu in Amsterdam een relatiedrama maakt?

„Theater hoeft niet één op één politiek actuele thema’s aan te snijden om relevant te zijn. Alles waar de mens mee worstelt, bang voor is, zich voor schaamt, is in de kunst relevant.”

Waarom wilde u Het Jaar van de Kreeft hier op toneel brengen?

„Dat boek heeft alles te maken met Amsterdam, althans waar Amsterdam voor stond in de jaren zeventig. Liberalisme, seksuele vrijheid; alles mocht, alles kon. Ik wilde dat Amsterdam van toen toetsen aan de huidige tijd. Niet alleen Amsterdam, maar de hele Westerse maatschappij.”

En?

„We zijn een stuk burgerlijker geworden. Ik denk dat de steeds complexere wereldpolitiek tot een sterke hang naar conservatisme en zekerheden leidt. Op het gebied van seksualiteit is een enorme verkramptheid ontstaan. Mensen hebben veel meer gêne dan twintig, dertig jaar geleden. Ook uiterlijk: vooral jonge mensen modelleren zich naar een esthetisch sjabloon. Steriliteit, uniformiteit; kunstmatige schoonheid is de norm. Ik wil met deze voorstelling een taboe aankaarten.”

Rust er weer een taboe op seks?

„Niet op seks, wel op slechte seks. Op lelijke, mislukte, echte seks. We leven in een tijd waarin het allemaal perfect behoort te zijn. Dat is wat je ziet in films en reclame; de juiste sfeer, het juiste licht, die ene nacht is er meteen één om nooit te vergeten. Seks is plastic, commercieel, gladgestreken. Dat is in Het Jaar van de Kreeft niet zo. Die twee proberen, en proberen en proberen maar het lukt niet. En het knappe aan dit boek is: Claus geeft geen verklaring. Hij laat het open, en biedt ruimte voor een eigentijdse interpretatie. Toen ik het vorig jaar opnieuw las, ontdekte ik er een veel diepere laag in.”

En die is?

„De crisis van de moderne mens.”

Hij kijkt tevreden en neemt nog een slok kruidenthee uit zijn geborsteld stalen thermosbeker.

„Over seks wordt tegenwoordig kapitalistisch gedacht. Het gaat om de prestatie van de man. Hoe meer hij komt, des te groter is zijn machobereik. Het Jaar van de Kreeft gaat over impotentie, letterlijk, maar je kunt het ook figuurlijk zien: de moderne mens raakt impotent door de prestatiedruk die op zijn schouders rust.”

De particuliere crisis van Toni en Pierre wordt bij Perceval dus een ‘crisis van de hele westerse samenleving’. „Ik schrik altijd als ik hoor hoeveel mensen kalmeringsmiddelen of antidepressiva slikken; in België is dat meen ik 35 procent van de bevolking. Depressie is volksziekte nummer één, boven kanker. Er heerst een enorme geestelijke verwarring: de individualisering, de prestatiedwang. Maar ook de globalisering, de verwarring van een wereld die ons te groot wordt. Er is geen duidelijk vijandbeeld meer – dat is trouwens ook een probleem in het theater.”

In welke zin?

„Grote Duitse theatermakers als Peter Zadek en Peter Stein konden in de jaren tachtig nog duidelijk de boeven aanwijzen op toneel; dat waren de communisten, of de bazen, in elk geval de uitbuiters. Maar wij leven in een wereld waarin we moeten erkennen: wij zijn zelf de vijand, wij zijn de uitbuiters. We laten mensen op de vlucht verzuipen of verkommeren, we knechten Afrika omwille van onze smartphones; we zijn allemaal schuldig. Hoe wij vluchtelingen opsluiten achter prikkeldraad; dat is mensonterend – ik schaam me kapot. Maar als je dat aan het publiek vertelt loopt het weg. Het publiek wil Tsjechov met samovar en linnen pakken tussen de berkenbomen. Dat geldt overigens vooral voor het Duits publiek, maar ik zie het ook hier.”

Hij zegt het op een toon die enige bitterheid verraadt, en dat klopt: „Ik ben klaar met het Duitse burgerlijk toneel. Ik wil het broeinest van culturen dat het hedendaagse Europa is terugzien in het theater. De Duitse Hochkultur wordt mij te benauwd.”

Nederlandse theatermakers idealiseren juist vaak het Duitse theater.

„Het prestige is groter, er is meer geld en een groot, trouw publiek, dat is waar, maar er zijn grote nadelen. Heel dominant in het Duits theater is het Bildungsbürgertum. Het publiek is opgeleid met Schiller en Goethe en gaat naar het theater om Tsjechov of Shakespeare te zien. Die vinden jouw Hamlet dan minder dan die van zes jaar geleden.

„Dit theater heeft jaarlijks 25 miljoen euro te besteden, maar ook 370 mensen in dienst, en door verplichte loonstijgingen wordt de artistieke speelruimte snel kleiner. Om kosten en inkomsten in balans te houden moet elke avond 700 man publiek in de zaal zitten. Daarom zijn veel Duitse theaters jaarlijks van twaalf naar 26 premières gegaan. Acteurs spelen soms in tien verschillende producties tegelijk, die komen uitgeput op de repetitie. Het spelplezier is vaak zoek. Soms denk ik: ik geef het geld terug en ga op een berg de zonnegroet doen.”

Geeft u inmiddels de voorkeur aan yoga boven theater?

„Gelukkig hoef ik niet te kiezen, de twee gaan wonderwel samen. Toen ik mij ging verdiepen in het zenboeddhisme ontdekte ik dat Shakespeare door de boeddhisten als Bodhisattva wordt beschouwd – iemand die door zijn werk en levenshouding anderen inspireert tot spiritualiteit. Maar er zijn meer parallellen. Doordat je je in het theater gezamenlijk, soms met duizend mensen tegelijk, concentreert op wat er gebeurt, wordt wat je ziet en beleeft ook versterkt beleefd. Zowel in de kunst als bij yoga gaat het om concentratie, en om het aanvaarden van de grote existentiële vragen. Vragen als: wat is de mens? Waarom trekt hij ten oorlog, waarom brengt hij zijn naasten om? Het theater is al 2.500 jaar een collectieve meditatie op het fenomeen mens.”