Ook voor Jezus geldt: één bron is geen bron

De parabels die Jezus in de evangeliën vertelt zijn zo sterk dat ze zijn ware stem zijn geworden. Maar de meeste zijn nooit door Jezus verteld, moet de grote Jezuskenner John P. Meier tot zijn spijt concluderen.

Een man wordt beroofd, en de rovers laten hem halfdood langs de weg liggen. Vreselijk, wie zal hem helpen? Niet de edele priester en ook niet de deftige tempeldienaar die even later langs loopt. Veel te eng! Wie kent niet het vervolg van dit verhaal? Daar schiet al een toevallig passerende Samaritaan te hulp, lid van een verachte minderheid. Hij betaalt zelfs het herbergbed voor de gewonde man.

Het is een van de bekendste verhalen die Jezus vertelt in het Nieuwe Testament. Wie van deze drie passanten is de ware naaste van de gewonde man, vraagt Jezus tot slot. De ‘Barmhartige Samaritaan’ geldt als speerpunt van Jezusretoriek.

Er is één probleem: is dit verhaal wel echt door de historische Jezus zelf verteld? Of is het tijdens het schrijven van de evangeliën (waarvan de oudste, Marcus, pas vijftig jaar na Jezus’ kruisdood werd opgeschreven) door latere christenen bedacht? Deze vraag wordt zelden gesteld. Want rondom de parabels, leerzame en prikkelende verhalen zoals het Samaritaanverhaal, hangt nog altijd een diepe geur van authenticiteit – ook bij bijbelgeleerden.

Zó sterk, zo bijzonder zijn die verhalen, lijkt men te denken, dat het wel de ware stem van Jezus moet zijn. Het verhaal van de verloren zoon (Lucas 15:11-32), de herder die dat éne verloren schaap gaat zoeken (Lucas 15:4-7), de lampjes van de vijf dwaze en de vijf wijze maagden (Mattheüs 25:1-13), het onkruid en het graan op de akker (Mattheüs 13:24-30), de kwaadaardige pachters van de wijngaard die uiteindelijk zelfs de zoon van de eigenaar doden (Marcus 12:1-11, Mattheüs 21:33-44, Lucas 20:9-18), de vergeven dienaar die zelf geen schuld vergeeft (Mattheüs 18:23-35). De parabels worden zelfs de koninklijke weg naar Jezus’ gedachten genoemd. Heel vaak gaan ze over het Koninkrijk Gods: de goddelijke werkelijkheid die al ‘onder ons’ is, maar nog steeds niet helemaal – een centraal element in Jezus’ prediking. Het koninkrijk Gods is als een mosterdzaadje…

De Samaritaan hoort er niet bij

Maar helaas. Van ongeveer veertig Jezusparabels die in de Evangeliën van Mattheüs, Marcus en Lucas zijn terug te vinden (nergens in Johannes) gaan er waarschijnlijk maar vier terug tot de prediking van de historische Jezus zelf. En daar hoort de Samaritaan niet bij. En ook niet het verhaal van de Verloren Zoon of dat van de vijf dwaze en de vijf wijze maagden. Alleen het ‘mosterdzaad’, de ‘kwaadaardige pachters van de wijngaard’, het ‘feestmaal zonder gasten’ en de ‘gelijkenis van de talenten’ zijn van Jezus zelf. Dat hij parabels vertelde staat buiten kijf, maar we kennen er dus slechts vier.

Deze harde conclusies worden getrokken door een grote Jezuskenner, de zorgvuldige Amerikaanse bijbelhistoricus John P. Meier (1942), in zijn nieuwste boek Probing the Authenticity of the Parables. Een groot aantal parabels is zelfs hoogstwaarschijnlijk door de evangelisten zelf bedacht, zoals de meeste in het evangelie van Lucas, waaronder de Samaritaan. Zo totaal ‘Lucas’ is de Samaritaanparabel dat van een eventuele historische kern weinig meer over kan zijn dan een ‘hypothetische poltergeist’, schrijft Meier. ‘Onze harten mogen door dit verhaal misschien bijzonder verwarmd worden, maar wordt die warmte uitgestraald door Jezus of door Lucas?’

Andere verhalen vallen in categorie ‘niks van te zeggen’: misschien bevatten ze een historische kern, misschien ook niet. En daarmee zijn ze volgens Meier onbruikbaar in een historisch betoog over Jezus. Wél kunnen ze iets zeggen over de gedachten van látere christenen. Want ‘hoezo, unieke stem van Jezus in de parabels?’ vraagt Meier zich aan het slot van zijn boek af. Als Jezus jarenlang parabels heeft verteld zullen zijn leerlingen en andere volgers die techniek ook wel beheersen.

Geloof en historisch bewijs

Meiers kritische parabelboek is het vijfde deel in zijn schitterende serie A Marginal Jew. Rethinking the Historical Jesus, waarvan het eerste deel al in 1991 verscheen. Meier is een katholieke priester, maar hij maakt een strak onderscheid tussen zijn geloof en wat historisch bewijsbaar is. Misschien wel juist omdat Meier door zijn priesterschap gemakkelijk beschuldigd kan worden van vooringenomenheid, houdt hij zich in zijn werk strak aan duidelijke criteria voor historische authenticiteit. Daarmee is zijn werk een toetssteen voor alle Jezustheorieën geworden, ook al door zijn grote beheersing van de bronnen en de vele theorieën daarover.

Meiers belangrijkste historiciteitscriterium is ‘verschillende onafhankelijke bronnen’. Het is in serieuze geschiedenis net als in de journalistiek: één bron is geen bron. En sommige schijnbaar onafhankelijke bronnen gaan in werkelijkheid terug naar één en dezelfde bron. Zoals grote delen van Lucas en Mattheüs afkomstig zijn uit Marcus. Een flink deel van Meiers nieuwe boek gaat op aan een precieze analyse van het evangelie van Thomas. Dat evangelie is in de jaren vijftig teruggevonden in de Egyptische woestijn en is het enige evangelie buiten het Nieuwe Testament waarvan soms wel eens gedacht wordt dat het even oud zou kunnen zijn als de vier standaardevangeliën. Thomas bevat een dozijn parabels, maar Meier toont in soms uiterst gedetailleerde tekstanalyse overtuigend aan dat die allemaal zijn samengesteld uit teksten van Lucas en Mattheüs. Geen onafhankelijke bron dus.

Een ander argument voor historiciteit kan ook zijn dat een feit genant is voor de tijd waarin het opgeschreven werd. Dan zal het wel niet verzonnen zijn. Belangrijkste voorbeeld is de kruisdood van Jezus zelf, dat de joden een gruwel was en de heidenen waanzin. Of het verraad door Jezus’ leerling Judas, dat ook niemand later zal bedenken. Bij Meiers toekenning van historiciteit aan een van de parabels, over de kwaadaardige pachters van de wijngaard, speelt ook dat argument een rol. Want het vreemde einde, de dood van de zoon, zou door latere christenen altijd voorzien zijn van een soort opstanding. Nu is het een somber verhaal geworden waarin volgens Meier Jezus zichzelf plaatst in de reeks joodse profeten die door Israël zijn afgewezen.

Zo elegant, precies en consequent hanteert Meier al deze regels dat je na lezing van zijn werk veel kritischer het werk van andere historici gaat bekijken. In zijn uitgebreide noten gaat Meier vele redeneerfouten van collega’s na; een hoge pet van de Jezuskunde houd je er niet aan over.

Spijtig, deze conclusies

Meiers conclusies in de eerdere delen gingen over onder meer de authenticiteit van Jezus’ nauwe band met Johannes de Doper en over zijn ideaal van het Koninkrijk Gods dat zich onder meer uitte in Jezus’ genezingswonderen. Ook Jezus’ verrassende rol als haast klassieke uitlegger van de joodse wet kwam aan de orde. Die en andere conclusies van Meier passen goed in moderne visies op Jezus, zoals die van de bekende Britse Jezuskenner E.P. Sanders. Maar met zijn aanval op de authenticiteit van de parabels gaat John Meier in tegen een brede consensus. Zijn conclusies spijten ook hem. ‘Toen ik die serie begon kon ik niet vermoeden dat ik ooit zou besluiten dat er voor de meeste parabels geen bewijzen voor authenticiteit zouden bestaan.’ Als hij niet zijn strenge criteria voor historiciteit zou hanteren zou hij ook de meeste hebben toegelaten als authentiek, denkt hij, ‘een positie die iedereen bevalt maar die niemand kan bewijzen.’

    • Hendrik Spiering