Niet iedere Serviër wil oorlog vergeten

De nationalisten van Vojislav Seselj staan in de peilingen op niet meer dan 6 à 7 procent. Hun tijd is voorbij: de EU lonkt.

‘Onze tragedie is nog niet afgelopen”, bast Vojislav Seselj (71) naar de vlaggenzwaaiende menigte op het Plein der Republiek in Belgrado. Servië wordt omringd door westerse grootmachten, en het „valse tribunaal” in Den Haag , bestuurd door „buitenlandse machten” heeft met Radovan Karadzic een ‘onschuldig’ man veroordeeld tot 40 jaar.

Den Haag is waar Seselj, leider van een ultranationalistische Servische partij zelf zou moeten zitten. Over een week vonnist het Joegoslaviëtribunaal over de aanklachten tegen hem: aanzetten tot oorlogsmisdaden, de organisatie van moorddadige paramilitairen en betrokkenheid bij etnische zuivering van niet-Serviërs in Servië, Kroatië en Bosnië. Dat alles voor een homogeen ‘Groot-Servië’.

Toen hij in 2014 na meer dan tien jaar uit de cel naar Belgrado mocht voor een kankerbehandeling, kwam hij niet meer terug. Hij voert nu campagne voor de verkiezingen van april.

Geen beter moment om het ressentiment tegen het Westen uit te buiten dan de dag waarop een icoon als Karadzic wordt veroordeeld door het in Servië impopulaire tribunaal. Dat 94 van de 161 aangeklaagde personen in Den Haag Servisch zijn, zien velen hier niet als een reflectie van het feit dat de meeste daders Serviërs zijn, maar als teken van partijdigheid. Bovendien is 24 maart de dag waarop in 1999 de eerste bommen op Belgrado vielen. Dat de NAVO met bombardementen terugtrekking van Servië uit Kosovo afdwong, ligt velen vers in het geheugen. Spandoeken herinneren aan de circa 500 burgerslachtoffers.

Maar beroert het thema ook het bredere publiek nog? Bij het raam van de journalistenclub, dat uitkijkt op de demonstratie, speelt Milos Vasic verveeld met zijn aansteker. Het dreigende tromgeroffel vanaf het plein doet de ramen daveren. De geur van Bengaals vuur vult de lucht en de vlaggen met de beeltenis van Seselj en de Bosnisch-Servische generaal Ratko Mladic worden omhooggehouden.

Maar de journalist van het weekblad Vreme, beroemd om zijn kritische journalistiek over de Servische oorlogspresident Slobodan Milosevic, ziet in de 1.000 tot 2.000 vooral mannelijk demonstranten slechts een slap aftreksel van de manifestaties van de jaren negentig. Vasic: „We gaan een week krijgen van geschreeuw op straat en opruiende demonstraties. Misschien wat geweld. Ik zou geen Engels spreken in de stad vanavond. Maar hun spelletje is voorbij. Niemand geeft nog iets om het tribunaal. We willen het allemaal zo vlug mogelijk vergeten.”

Toenadering tot EU staat voorop

Seseljs partij staat in de peilingen op 6 à 7 procent. „Reken daar misschien nog een handjevol andere extremisten bij”, zegt Ivan Vejvoda, vicevoorzitter van de trans-Atlantische denktank German Marshall Fund of the United States en oud-adviseur van premiers Zoran Djindjic en Zoran Zivkovic. „Maar die komen in een parlement dat tot nu toe geheel pro-Europees was. Al met al is Servië een van de landen met het laagste percentage van dit soort groepen.”

Zelfs al moet ook premier Aleksandar Vucic, ooit loyaal bondgenoot van Seselj, voor zijn achterban uithalen naar Den Haag: de toenadering tot de EU staat voorop, zegt Vejvoda.

In Bosnië, waar tijdens de Balkanoorlogen de grootste bloedbaden plaatsvonden, is de situatie grimmiger. Eerder deze week wijdde Milorad Dodik, de nationalistische president van het Servische landsdeel, een studentenverblijf vernoemd naar Karadzic in. „We wijden dit studentenhonk aan de man die zonder twijfel een van de stichters is van de Servische Republiek”, zei Dodik in Pale, de voormalige oorlogshoofdstad, in het bijzijn van Karadzic’ vrouw en dochter.

Sinds het land in 1995 in Dayton werd verdeeld langs etnische lijnen, zit Bosnië in een vicieuze cirkel van corrupte politiek, economische malaise en etnische haat. De dreiging van ernstig nieuw geweld lijkt nog ver weg, maar uitzichtloosheid en frustratie zijn alomtegenwoordig. Daar heeft ook het Joegoslaviëtribunaal weinig aan veranderd, moest hoofdaanklager Serge Brammertz toegeven tegenover persbureau Reuters. „Ik ben er niet van overtuigd dat iedereen de fouten van het verleden goed heeft begrepen.”