Na de klap: we zullen ons moeten aanpassen

‘Wakker worden in een ander land”, was de teneur in de Belgische pers de dag na de aanslagen. Wat is dan veranderd? De voortekenen waren er al, zeker sinds de aanslagen in Parijs; het vage vermoeden dat het een keer mis zou gaan. Maar nu de klap kwam, hard en wreed, is het anders. Je voelt het bij de Brusselaars. Elk moet de gebeurtenis op zijn of haar manier verwerken. Praten, praten, praten. Radio en krant nog over bijna niets anders. Veel net-niet-verhalen – ‘gisteren reed ik erlangs’, of: ‘een vriend van die en die zat er één metro voor’. Manieren om te zeggen: het had ook mij kunnen gebeuren, ook ik had uiteengereten in het metrostel kunnen liggen.

luukvanmiddelaar0

Zulke verhalen gaan meer over metro Maalbeek dan over Zaventem: het vliegveld is van de toeristen, de zakenlui, de ambtenarij, terwijl het metrostation, centraal gelegen, voor iedereen, arm en rijk en uit alle wijken van de stad, bekend is. Publieke rituelen spelen bij de verwerking hun rol. Het Brusselse Beursplein werd de plek van de openbare rouw; de emotie gevat in krijttekeningen en kaarsen. Het biedt een gevoel van saamhorigheid, van – tenminste tijdelijk – samen sterker staan tegen het noodlot.

Het traumatische van de gebeurtenis blijkt ook uit hoe mensen er individueel bijna lijfelijk door zijn geraakt. Velen vertelden me de dag erna ‘moe’ te zijn, ik voelde het zelf ook; ‘het kruipt toch in je kleren’. Aan de oproep van de autoriteiten thuis te blijven werd dinsdag volop gehoor gegeven; ook later in de week bleef het rustig op straat. Ik denk dat het niet alleen angst is, maar ook de behoefte aan rust, aan pas op de plaats, herpositioneren.

‘Eén ding lijkt duidelijker: je kunt niet ontsnappen, je zult moeten vechten’

De gewelddadige inbreuk op het dagelijks leven is naar impact vergelijkbaar met een slechtnieuwsgesprek bij de dokter. Dan niet een van het kaliber: ‘U heeft kanker’, maar eerder zoiets als: ‘Voortaan geen suiker meer.’ Ook dat is een tik, een schrik, een waarschuwing. Het vergt nieuwe gewoontes, andere dagelijkse keuzes, verhoogde waakzaamheid; je kijk op de dingen zal veranderen. En tegelijk zul je je wel aanpassen.

In dit geval: aanpassen aan een terugkeer van fysiek gevaar. Het schendt het comfort van onze West-Europese beschaving, waarin we bij groen licht niet eens meer kijken of er een auto aankomt, want het is groen en we staan dus in ons recht… In een openbare brief aan haar dochter en zoon, jonge twintigers, schrijft journaliste Béatrice Delvaux (Le Soir) deze week: „Het spijt me.” Ze hield haar kinderen altijd voor dat de wereld grenzeloos is, dat oorlogen en strafkampen in Europa voorbij zijn, nationalisme en racisme op hun retour.

En nu dit. Ze prijst de kalmte en zelfbeheersing van haar kinderen en besluit: „Maar één ding lijkt almaar duidelijker: je kunt niet ontsnappen, je zult moeten vechten.” Zo zijn er meer stemmen die – in de zee aan analyses over falende veiligheidsdiensten, radicaliserende jongeren of buitenlandpolitieke keuzes – iets van het verlies van een alledaagse illusie uitdrukken. De terugkeer, ook individueel, van een zekere waakzaamheid.

Natuurlijk, misschien herneemt het leven snel zijn loop. Dat mogen we hopen, maar erop rekenen zou vals optimisme zijn. Wie recent in Parijs was weet dat de somberte van 13 november 2015 er nog hangt. Veel wijst op een langere strijd, zoals de gedrevenheid van de tegenstander. Die strijd kunnen we winnen. Ja, met doorgaan ons leven te leiden; zonder overreactie, maar ook zonder het verontwaardigd overmoedige ‘gewoon weer normaal doen’. Daartussenin zit die kleine aanpassing, de lijfelijke pas op de plaats die Brusselaars deze week maakten – ook die vergroot de gezamenlijke weerbaarheid.