In het Byzantium regeerde het volk

Wie Byzantium zegt, denkt aan hologige madonna’s met een ongezond kind op de schoot. Dat is onjuist: het Byzantijnse Rijk is altijd te veel met de westerse blik bekeken waardoor een scheef beeld is ontstaan.

Bleekzuchtige madonna’s, afkeurend kijkende mannen: bijster opbeurend is het allemaal niet. Maar dat is wel het beeld dat je van Byzantium hebt. Denkend aan het Middeleeuwse rijk in het uiterste Zuid-oosten van Europa, dat in 1453 met de val van Constantinopel ‘officieel’ onderging, zie je iconen waarop melancholieke mannen in pijen je aanstaren of madonna’s in sombere lappen, die een ongezond kind op schoot houden.

De keizers van dat in onze ogen zeer orthodoxe rijk zijn al even statisch en onbenaderbaar als de talloze heiligen en asceten die hun onderdanen zijn. Als hooghartige autocraten wachten ze op de transen van Constantinopel, als beschreven in de verzen van Kaváfis, de komst van de barbaren af, de tijd dodend met ondoorzichtige rituelen en achterbakse pluimstrijkerijen.

Natuurlijk klopt er niets van dit beeld, hoe hardnekkig het ook is blijven hangen. Om te beginnen klopt de naam Byzantijnen al niet, ze hebben zichzelf nooit zo genoemd. Romeinen waren ze, niets meer en niets minder. Dat het meer dan een naam was, dat ze in veel opzichten ook werkelijk Romeinen waren, wordt aangetoond in The Byzantine Republic, een studie van de Amerikaanse hoogleraar in de klassieke letteren en geschiedenis, Anthony Kaldellis.

Net als de Romeinen hechtten de Byzantijnen – laten we ze voor het gemak maar zo noemen – grote waarde aan het begrip ‘republiek’, dat wil zeggen de ‘publieke zaak’ of ‘het algemeen belang’, voor hen het tegenovergestelde van tirannie of welke vorm van dictatoriale alleenheerschappij ook. In onze tijd is ‘republiek’ een term voor een staatsvorm die de monarchie, constitutioneel of niet, afwijst. Dat was niet altijd de betekenis. In de geschiedenis wordt met de Romeinse Republiek de periode aangeduid na de val van de koningen tot het begin van het keizerrijk. Toch bleef ook onder de keizers de res publica gewoon bestaan in zijn oude betekenis van algemeen belang, in het oostelijke, Grieks sprekende deel van het rijk onder meer onder de naam politeia.

Onwaardig

De keizers waren kennelijk niet de onaantastbare autocraten waar ze voor doorgaan. Kaldellis betoogt, zijn stelling illustrerend met talloze voorbeelden, dat ze wel ‘in naam de leiding hadden over het gebied van de politeia, maar alleen als de beschermers ervan, niet als eigenaren.’ Hun paleizen waren openbare gebouwen, belastinginkomsten waren bedoeld voor het bestuur, niet voor de eigen beurs. Wie zich daar niet aan hield kon op stevige kritiek rekenen en moest voor zijn positie vrezen wanneer de inwoners van Constantinopel de straat op gingen en de wat mysterieuze leus ‘graaf zijn botten op’ riepen of het woord ‘anaxios’, ‘onwaardig’, scandeerden. In dat geval hadden keizers een ernstig probleem. Ze waren, aldus Kaldellis, in wezen de hoogste ambtenaar van het land, die zich als ieder ander aan de wet had te houden. In hoeverre ze daarin slaagden was onderworpen aan het oordeel van de politeia. Dat betekent echter niet dat er sprake was van enige vorm van volkssoevereiniteit of democratie zoals wij die kennen. Het volk had zijn macht overgedragen aan de keizer die naar bevind van zaken moest oordelen, desondanks bleef hij de dienaar van het algemeen belang.

Als erfgenaam van Rome was het keizerrijk een republiek waar de wet gold, een ennomos politeia; keizers die zich eraan hielden waren populair en konden op de steun van het volk rekenen. Faalde de keizer in de ogen van de publieke opinie, dan kon hij in korte tijd zijn troon en soms ook zijn hoofd verliezen. Uit de hand gelopen oproer met het leger neerslaan is alleen keizer Justinianus in de zesde eeuw gelukt, daarna kwam het niet meer voor, te meer ook omdat het leger zichzelf traditioneel zag als het volk onder de wapenen. Revolterende generaals werden niet per se als coupplegers voor eigen gewin beschouwd.

Het wisselen van de macht was geen kwestie van onderonsjes van hof, kerk en bureaucratie. Er werden door de elites wel kandidaten voor opvolging gesuggereerd, die zich niet zelden op de renbaan aan het volk presenteerden en daar het oordeel vroegen van de menigte. Hoewel de keizer de wet moest gehoorzamen, stond hij toch ook als wetgever min of meer boven de wet. Dat was geen probleem was zolang zijn handelen het algemeen belang diende, maar als hij bijvoorbeeld beval de zee over te zwemmen hoefde men hem niet te gehoorzamen. Het volk had de macht in handen gegeven van de keizer, maar kon die terugnemen wanneer het dat wilde, bijvoorbeeld door en masse de straat op te gaan en de keizer tot aftreden te dwingen.

Defensief

Maar was een Byzantijns keizer dat niet bij de gratie Gods? Was het rijk dan geen theocratie? Kaldellis legt uit dat dit aspect door hof en en lofredenaars werd benadrukt omdat een keizer eigenlijk nooit zeker van zijn positie kon zijn. Het was niet triomfalistisch, zoals het lijkt, maar defensief. Anderzijds wilde de politeia wel door een keizer geregeerd worden die de zegen van boven had, niet in de laatste plaats omdat daardoor de keuze van het volk achteraf goddelijke instemming verkreeg. Deze vrome façade werd resoluut terzijde geschoven, zodra de keizer niet langer algemeen geliefd was. Kaldellis: ‘De normen van de oude res publica waren stevig gevestigd in de ideologie van het politieke krachtenveld. De volkssoevereiniteit kende geen bestuurlijke instellingen, maar manifesteerde zich in een permanent referendum waaraan de keizers waren onderworpen. Politiek hield steeds de dreiging in van burgeroorlog. Legitimiteit was populariteit. Wat we Byzantium noemen was een turbulente, politiek dynamische, maar een uiteindelijk stabiele monarchale republiek in de Romeinse traditie, aan zichzelf en anderen voordoend als een keizerlijke theocratie.’

Kaldellis fascinerende studie werpt een geheel nieuwe blik op het Byzantijnse staatsbestel. Tot voor kort zag men het rijk slechts door de bril van het eigen West-Europese verleden, dat echter een vertekend beeld gaf. Kaldellis heeft dat nu op overtuigende wijze gecorrigeerd. Hij is niet alleen te rade gegaan bij wat zijn voorgangers over het onderwerp hebben gezegd, maar is ook teruggegaan naar de bronnen, waarvan hij een verbluffende kennis bezit.

Niet iedereen zal zich bij dat nieuwe ‘Romeinse’ beeld van Byzantium neerleggen, maar ik denk dat het zal standhouden. Als wij hier aan het Romeinse Rijk denken, zien we vrijwel altijd het westelijk, Latijn sprekende deel voor ons. Omstreeks 500 ging het ten onder, maar Edward Gibbon, de auteur van het beroemde The History of the Decline and Fall of the Roman Empire (1776-1788) wist al beter en liet het Romeinse Rijk eindigen bij de val van Constantinopel in 1453. Terecht, naar nu blijkt.