Hoe Cruijff Nederland vormgaf

Johan Cruijff staat symbool voor het naoorlogse Nederland. Zijn carrière valt naadloos samen met de culturele revolutie die Nederland totaal veranderde. De voetballer droeg zelf aan die omwenteling bij.

Voetbal is misschien geen oorlog. Maar voetbal is wel de maatschappij. Niemand in Nederland die deze correlatie tussen sport en samenleving beter belichaamde dan Johan Cruijff. Het voetballeven van Cruijff valt nagenoeg naadloos samen met de culturele revolutie die Nederland van medio jaren zestig tot eind jaren negentig diepgaand verandert en begin deze eeuw uitmondt in een eveneens ingrijpende reactie. Maar er is meer aan de hand. Cruijff heeft aan die voor Nederland ongekende omwenteling ook actief bijgedragen.

Twee data zouden moeten volstaan als bewijsvoering. Als voetballer debuteert Cruijff in november 1964. Vijftien maanden daarna onttrekt een rookbom van Provo de huwelijkskoets van prinses Beatrix en prins Claus in Amsterdam aan het oog. Als trainer/coach sluit Cruijff zijn carrière af in mei 1996. Dat is het jaar waarin de eerste regeringscoalitie zonder christendemocraten in de geschiedenis glorieert en premier Wim Kok in het parlement zelfs gekscherend de ‘wave’ inzet. In de tussenliggende jaren geeft Cruijff gezicht aan het nieuwe Nederland, dat zich ontwikkelt van een sociaal-cultureel traag sjokkende verzuilde staat naar een progressief liberale natie die zich ook internationaal een ‘gidsland’ waant.

Geen tijd voor paternalisme

Vlak voordat Cruijff debuteert, dienen de eerste voortekenen zich al aan. Nederland kan niet op de oude voet verder. Nederland verliest weliswaar Nieuw Guinea. Maar ondertussen wordt er gas gewonnen. De consumptieve verzorgingsstaat wordt in de steigers gezet. De geleide loonpolitiek, dat paternalistische beleid van ‘zachtjes aan dan breekt het lijntje niet’, loopt ten einde. Monseigneur Bekkers uit Den Bosch pleit voor liefde in het huwelijk in plaats van louter voortplanting. De Staten Generaal nemen de Mammoetwet aan, omdat arbeiders nu werknemers heten en dus een krant moeten kunnen lezen. Democratisering is de toverspreuk die velen in beweging zet. Hoge en laag willen convergeren.

Die metamorfose wordt in de boekwinkels, theaters, muziekzalen en universiteiten zichtbaar, maar ook rond het voetbalveld. Wie zich elftalfoto’s met de zeventienjarige Johan Cruijff, staand tussen beren als Ton Pronk en Co Prins, voor de geest haalt, ziet geen junior die slechts mag luisteren: daar staat een tengere jongen die geen blinde eerbied meer wil kennen.

Cruijff spoort met de kinderen uit de oude arbeiders en de lagere middenklasse, die al dat lawaai op het Spui in Amsterdam ook spannend vinden. Hij geeft perspectief aan de sociale lagen die een televisie hebben, dankzij reisbureau Eurotex naar Italië en Spanje kunnen en daar wijn drinken in plaats van ranja of jenever. Cruijff sleurt ze mee zonder die avant-garde van provo’s, studenten en ander verlicht volk ook na te doen. Barry Hulshoff gaat ineens PvdA stemmen en in Afghaanse jassen lopen. Cruijff vertaalt de signalen op eigen wijze. Wel langer haar en iets ruigere muziek, wel ruzie schoppen met de autoriteiten, zij het niet voor lol, maar ten dienste van de macht.

Voorzitter Mao

Aanvankelijk heeft hij daarbij trainer Rinus Michels nodig, de schoolmeester die zijn leerlingen opjaagt door ze aan te pakken en niet door ze begripvol te bejegenen, zoals in die jaren in zwang raakt. Maar als Michels weggaat uit Nederland, blijft Cruijff het tempo hoog houden. Speelser en effectiever dan welke ludieke actie ook. Het gedoe met scheidsrechters die hem koeioneren. De ruzies met de patriciërs van de KNVB over schoenen en verzekeringen. Het wantrouwen jegens dr. Rolink, de lijfarts van Ajax. De financiële meningsverschillen met clubvoorzitter Jaap van Praag, die Cruijff nooit op een ‘waarheid’ wist te betrappen. Het zijn allemaal conflicten met de regenten in de sportwereld om hun statische macht te onttakelen en een eigen dynamische macht te bouwen.

Dat een trainer/coach uit het Roemenië van Ceausescu (de etnische Hongaar Stefan Kovacs) daartoe de ruimte geeft, is een aanwijzing dat de tijd in 1971 ook echt rijp is. Elders in het land is de film Blue Movie met pijn en moeite tot de bioscoop toegelaten, wordt in Rotterdam de conservatief geachte kapelaan Simonis onder protest benoemd tot bisschop in de RK-kerk en neemt de Tweede Kamer na jaren gemier een wet aan die echtscheiding mogelijk maakt zonder dat een van de partners zich leugenachtig bekent tot ‘overspel’. Maar bij Ajax geeft Cruijff intussen leiding aan een nieuw soort leiderschap, dat later in de vakliteratuur zou kunnen worden omschreven als ‘talentgedreven’ en ‘organisch’. Alsof hij een leerling is van voorzitter Mao in China.

Het nieuwe Nederland wordt zo bij Ajax zichtbaar. Ten eerste het doorbreken van de klassieke hiërarchische lijnen. Ten tweede het conflictmodel als psychologische methode om verstarde organisaties open te breken. Ten derde de functie van de liberale ongebreidelde ambitie in plaats van de deemoedige geremde bescheidenheid. Ten vierde de erkenning van het bestaan van een nieuwe elite, die zichzelf moet bewijzen door haar daden en niet meer kan bogen op haar afkomst en andere verdiensten in het verleden.

En ten vijfde de onbarmhartige machtsovername die Cruijff en de geboortegolfers ter hand nemen. In het elftal dat in 1972 en 1973 de Europacup voor de tweede en derde maal wint, zit maar één speler van voor de oorlog (Sjaak Swart/1938) en een uit de late bezettingstijd (Piet Keizer/1943). De meeste anderen zijn eerste cohort babyboomers. Bij het WK voetbal in 1974, hét breukvlak in de naoorlogse sportgeschiedenis, zal deze machtsoverdracht zijn definitieve beslag krijgen.

Precies dan ook wordt voor het eerst duidelijk dat het politieke klimaat achterloopt op het cruijffiaanse klimaat. Als Nederland de finale in München haalt en verliest, resideert in Den Haag het kabinet-Den Uyl al weer een jaar, het meest progressieve kabinet dat Nederland ooit heeft gekend. Ruim drie maanden na het aantreden van deze regering voor de ‘spreiding van inkomen, kennis en macht’, speelt Cruijff zijn eerste wedstrijd voor de FC Barcelona. Zijn pleidooien bij Juliana voor een ander fiscaal regime voor voetballers hebben geen effect gesorteerd. Conflicten binnen Ajax doen de rest. Cruijff vertrekt voor wat later het ‘grote geld’ of een ‘klapper’ zou gaan heten. Zelf zegt hij dat niet langer ‘dief van zijn eigen portemonnee’ wil zijn, een begrip dat als uiting van hyper emancipatie verstrekkende resonans zal krijgen en zal culmineren in de term dat iemand ‘financieel onafhankelijk’ is.

Pas eind 1981 keert Cruijff in Amsterdam terug. In Den Haag regeren dan koning Beatrix en het kabinet Van Agt/Wiegel. Individuele sanctie en beloning zijn daarbij de trefwoorden. Bij de overheid wordt de burger een klant. In het bedrijfsleven wordt materieel eigenbelang een gerespecteerd idee. Jonge professionals vechten zich omhoog en pochen daarop 's avonds in de nieuwe grand café's. Met andere woorden: het harmoniemodel staat onder druk, niemand durft dief van zijn eigen portemonnee te zijn.

Johan Cruijff staat zo symbool voor het naoorlogse Nederland. Hij personifieert de wederopbouw van herrijzend Nederland. Hij doorziet de kansen van de massaficatie van de welvaartstaat. Hij begrijpt de consequenties van de democratisering van de standenmaatschappij. Hij neemt het voortouw bij de meritocratie die de nieuwe klassenloosheid gaat overvleugelen. En hij profiteert van de materialisering die die hand in hand gaat met de individualisering.

Cruijff is in die drie decennia dé representant van dit nieuwe Nederland geweest. Van een paradoxaal Nederland, dat zich dankzij die combinatie van culturele emancipatie en materieel gewin ontworstelde aan de achterhoede van Europa en in 1997 in de persoon van Wim Kok eregast was van de Amerikaanse president Bill Clinton in Denver.