Europese ‘CIA’ is heel ver weg

EU-lidstaten werken niet graag samen bij terreurbestrijding, merkt Europol steeds opnieuw. Maar dat begint zich te wreken.

Plein bij de Beurs in Brussel op donderdag, twee dagen na de aanslagen. Foto Christian Hartmann/Reuters

België opende vorig jaar 315 nieuwe antiterreuronderzoeken en dit jaar zijn dat er al bijna 60, verklaarde de Belgische openbaar aanklager Frédéric Van Leeuw donderdag in Brussel. Hij wilde aantonen dat de terreurdreiging veel breder is dan alleen van de Brusselse groep rond Salah Abdeslam. Die wordt verantwoordelijk gehouden voor de recente aanslagen in Brussel en Parijs.

Maar ongewild toonde Van Leeuw nog iets aan: dat het met de informatie-uitwisseling tussen Europese justitie- en veiligheidsdiensten slecht is gesteld. Drie weken geleden klaagde EU-antiterreurcoördinator Gilles de Kerckhove namelijk dat er vorig jaar maar achttien lopende zaken over jihadistische strijders waren aangemeld bij het Europese justitieorgaan Eurojust in Den Haag.

Volgens Jelle van Buuren, onderzoeker bij het Haagse Centrum voor terrorisme en contraterrorisme, is dat veelzeggend. „Eurojust verdeelt voornamelijk informatie onder lidstaten over grensoverschrijdende zaken, maar het spreekt voor zich dat veel van die Belgische onderzoeken dat zijn. Dat er veel niet wordt gemeld, toont aan dat terreurbestrijders het belang van gegevensuitwisseling met zo’n EU-orgaan nog lang niet altijd zien.”

Volgens Frans Timmermans, de nummer twee van de Europese Commissie, is het nog te vroeg om te concluderen dat de aanslagen in Brussel voorkomen hadden kunnen worden als diensten meer informatie hadden gedeeld. „Maar los van dit specifieke geval, pleit veel voor nauwere samenwerking, en misschien dat de gebeurtenissen deze week dat kunnen versnellen”, aldus Timmermans. „De Commissie kan landen echter niet dwingen, ze moeten het zélf willen.”

Timmermans schoof donderdag aan bij een extra, op verzoek van België georganiseerde vergadering van EU-ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken, om te kijken wat er kan worden verbeterd aan de terrorismebestrijding in de EU. Na de laatste grote aanslag in Parijs (13 november 2015) was er ook zo’n extra bijeenkomst, op Frans verzoek, maar dit leidde toen niet tot een dramatische beleidsverandering. „We vallen in herhaling”, klaagde Eurocommissaris Dimitris Avramopoulos (Binnenlandse Zaken) donderdag dan ook. „Deze verschrikkelijke aanslagen kunnen niet voor eeuwig wake-upcalls blijven.” Hij zei dat de ingrediënten voor de in Parijs en Brussel gebruikte explosieven nog steeds relatief makkelijk te krijgen zijn, omdat afspraken hierover nog niet door alle landen zijn uitgevoerd.

Het is ook niet zo dat er helemaal niets is veranderd: op bilateraal niveau zijn nationale veiligheidsdiensten nauwer gaan samenwerken. De persconferentie donderdag in Brussel was daar een uiting van. De Belgische aanklager Van Leeuw gaf die samen met zijn Parijse collega François Molins. Die verklaarde dat er in Frankrijk momenteel 244 terreurzaken lopen, waarin 772 personen nog worden gezocht of al zijn aangeklaagd. Na de aanslag op de Parijse concertzaal Bataclan besloten politie, justitie en veiligheidsdiensten in België en Frankrijk nauw te gaan samenwerken om de groep rond Abdeslam te vervolgen.

Maar op het gebied van structurele Europese samenwerking valt nog veel te winnen. Dat werd ook al gezegd na de aanslagen in Madrid en Londen van 2004 en 2005. Destijds zijn er maatregelen genomen. Bekend is de massale opslag, en daarna soms uitwisseling, van telefonie- en internetverkeer. Al zette de Europese rechter daar in 2014 vanwege privacybezwaren deels een streep door. Na ‘Madrid’ en ‘Londen’ werd ook het Europees arrestatiebevel ingevoerd. Na 9/11 werd de Counter Terrorist Group (CTG) opgericht, waarin nationale veiligheidsdiensten op vrijwillige basis informatie delen over terreurdreigingen. De CTG komt voort uit de in 1971 opgerichte ‘Club van Bern’, een vrij informeel overlegorgaan van veiligheidsdiensten, dat geen secretariaat heeft en ook geen beslissingen neemt.

En ook na ‘Charlie Hebdo’ werden er vorig jaar op Frans initiatief nieuwe maatregelen aangekondigd. Aan het CTG wordt een platform toegevoegd dat het uitwisselen van operationele inlichtingen over jihadisten tussen veiligheidsdiensten vereenvoudigt. Het is de bedoeling dat die uitwisseling deze maand begint. En politieorganisatie Europol in Den Haag kreeg een European Counter Terrorism Center (ECTC), dat de terreurbestrijding onder politiediensten moet coördineren.

Maar vervolgens schort het vaak aan de uitwerking. De door EU-landen beloofde experts voor het ECTC zijn er nog niet. En in de database met terroristische strijders van Europol staan nu 2.786 namen, terwijl bekend is dat meer dan 5.000 EU-burgers zich bij IS en andere radicale groepen in Syrië hebben aangesloten. Bij de inlichtingendiensten speelt volgens onderzoeker Van Buuren het aloude probleem dat zij gevoelige nationale belangen dienen en amper geneigd zijn structureel met andere diensten samen te werken en al helemaal geen gegevens met de hele EU willen uitwisselen. Dat ziet hij ook niet snel veranderen. „Er wordt nu weer gepleit voor een Europese CIA, maar dat is echt wensdenken. De lidstaten willen hier geen Europese bemoeienis mee. Bilateraal samenwerken en via de CTG wat meer informatie uitwisselen met enkele andere diensten is het maximaal haalbare.”