Die belangeloze hulp was troostrijk

Veiligheid is nooit vanzelfsprekend, meent Marc Reynebeau na de aanslagen. Spontane hulp van buiten is dat gelukkig wel.

illustratie R.J. Matson

Het beloofde dinsdag nochtans een mooie dag te worden. De trein was keurig op tijd. Ik vond een plaatsje bij twee dames en een heer. Het trio had niets van de achteloze ochtend­routine van de pendelaar en evenmin van de chaos van jongeren op uitstap met de klas of de jeugdbeweging, van wie altijd wel iemand het juiste rijtuig niet vindt of iets op het perron is vergeten.

De drie keuvelden gedempt en leken in hun schik. Ik vouwde de krant open en aanschouwde erin de geruststellende overzichtelijkheid van de wereld. Al was net tevoren, even over acht, in de stationskiosk wel wat opwinding te merken geweest. Er was even een radiostem te horen die ‘meer informatie’ beloofde. Maar waarover?

De gsm bracht de eerste details terwijl de trein door het niemandsland gleed.

Ontploffing in de luchthaven. De heer, eerder geïntrigeerd dan ongerust, wees zijn damesgezelschap erop hoe flarden nieuws zich verspreidden bij de over hun schermpjes gebogen, steeds meer verbijsterde treinreizigers. De drie hadden het, nu het over de luchthaven ging, even over een aanstaande reis naar Australië.

Alsof ze nog even buiten het breaking news konden staan. Er zou, zo bleek inmiddels, ook wat aan de hand zijn in een metrostation. De treinreizigers vertelden elkaar wat ze hadden gehoord, als waren ze bezig met het in elkaar passen van puzzelstukjes.

Nieuws sijpelt door als water door een lekkend dak: de eerste druppels laten weinig vermoeden van wat er precies aan de hand is. De eerste indruk wijst nooit op iets ergs, toch niet bij wie niets ergs gewoon is. Het ergste stuit altijd eerst op ongeloof, of op wat misschien slechts een gebrek aan fantasie is. Maar dat beschermt wel de rust, het viert de saaie normaliteit – en het voorkomt voorbarige oordelen en blinde paniek.

Toen de trein bijna in Brussel was, doorbrak de intercom de half soezerige, half van ingehouden nieuwsgierigheid vervulde sfeer. Een ietwat onbeholpen formulerende vrouwenstem vroeg of er ‘medisch personeel’ in de trein meereisde.

In het eerste rijtuig was een dame ‘ziek’ geworden. En toen gebeurde het. De twee dames in mijn gezelschap keken elkaar kort aan – ik denk dat ze elkaar ook even toeknikten. Ze overlegden niet of ze de vraag wel goed hadden begrepen of wat ze ermee aan moesten, maar ze stonden zonder meer op, streken met enkele snelle gebaren hun kleren glad (ik stelde me voor dat ze eerst nog even diep ademhaalden) en beenden dan met gedecideerde tred naar de kop van de trein.

Dat de twee vrouwen artsen of anderszins ‘medisch personeel’ waren, had ik in de verste verte niet vermoed. Maar ze hadden geen seconde geaarzeld. Alsof ze slechts op het signaal aan het wachten waren en meteen wisten wat hen te doen stond. Jassen, handtassen en wat ze verder nog bijhadden, lieten ze, alweer zonder erover na te denken, liggen waar ze lagen.

Ook de heer in hun gezelschap leek immuun voor verbazing. Hij liet niets bijzonders blijken, keek de vrouwen niet eens na, maar verzamelde rustig, alsof hij meteen had begrepen dat de verantwoordelijkheid voor de logistiek nu bij hem lag, hun spullen op de nu lege stoel naast hem. Dan keek hij uit het raam. De voorstad schoof voorbij. Ze oogde iets minder slordig en lelijk met dat laagje zonlicht dat eroverheen lag.

De twee vrouwen hadden het vanzelfsprekend gevonden om hun tot dan behaaglijk rustige uitstap te onderbreken om hun bijzondere medische vaardigheden in te zetten voor die onbekende dame in het eerste rijtuig, die door een ongemak was getroffen.

Die belangeloze, niet door bijgedachten of aarzelingen gehinderde hulpvaardigheid ontroerde me hevig. Het is troostend dat je erop kan rekenen, als je zelf zo’n zieke dame zou zijn, dat altijd wel twee dokters komen helpen. Ik wist nog niet dat ondertussen elders in het inmiddels erg barre Brussel zo veel anderen hetzelfde aan het doen waren.

Negen uur later stond ik weer in het station, klaar voor de terugreis. Het was gesloten geweest en dan weer geopend. Er waren haast meer veiligheidslui dan treinreizigers. De trein was maar een paar minuten vertraagd en spoedig gleed hij door dat landschap, waarop nog altijd dat laagje voorjaarszon lag.

Ondertussen woekerden in Brussel voorbarige oordelen en paniek al volop, en het verschil tussen beide was niet altijd helder. Vasthouden aan een eigen gelijk lijkt veilig en zeker, maar verongelijktheid getuigt soms ook alleen van gebrek aan fantasie. Vanzelfsprekend is veiligheid nooit. Dat iemand spontaan komt helpen als je ziek wordt in het eerste rijtuig, tot nu toe gelukkig wel.