De wereld kent Cruijff als plaatje

Johan Cruijff Buiten Nederland en Catalonië is het beeld van Cruijff zeer beperkt en hoogstens tweedimensionaal. De rest van de wereld nam hem immers veelal waar zonder zijn soundtrack, schrijft Simon Kuper.

Johan Cruijff signeert WK-shirts in 2014. Foto ANP / Evert Elzinga

Toen het nieuws van zijn dood bekend werd, hadden talloze Britten op Twitter het plotseling over de ‘Cruyff Turn’. Nu was dat ook wel een leuk moment. Tijdens Nederland-Zweden op het WK ’74 hakte Cruijff de bal zo verrassend achter zijn standbeen langs dat de arme Zweedse back Jan Olsson bijna omviel. Olsson vertelde mij decennia later: „Ik dacht, ‘nu heb ik de bal’, en daarna dacht ik, ‘waar is de bal?’ Ik begreep het niet. Ik denk dat veel mensen erom hebben gelachen. Het is erg interessant.”

Dat klopt, maar toch is de ‘Cruyff Turn’ voor Nederlanders minder legendarisch. Een Nederlander die vroeg genoeg is geboren heeft namelijk twintig jaar aan Cruijff-acties en vijftig jaar aan Cruijff-interviews in zijn hersenarchief opgeslagen. Veel buitenlandse tv-kijkers kennen Cruijff daarentegen bijna uitsluitend van het WK ’74. Zijn naam is wereldwijd bekend, maar buiten Nederland en Catalonië is het Cruijff-beeld zeer beperkt en hoogstens tweedimensionaal.

In het buitenland kwam de voetballer Cruijff bijna nooit op tv. De grote Franse spelmaker Michel Platini herinnert zich dat hij als een van de weinige Fransen begin jaren zeventig de Europese wedstrijden van het grote Ajax kon kijken. Platini woonde namelijk in de oostelijke regio Lorraine, „en wij, gelukkigen, ontvingen de Radio Télévision Luxembourg (RTL)”.

Alleen een ‘gelukkig’ groepje buitenlandse voetbalfanaten – inmiddels allemaal boven de 45, voornamelijk mannen – heeft de kans gehad tot Cruijff-adept uit te groeien. Een andere Franse spelmaker, Youri Djorkaeff, wereldkampioen in 1998, vertelde het sportblad L’Equipe deze week: „Ik had nooit een ander idool, in elk geval niet in het voetbal. Mijn andere idool was Steve McQueen. Maar ergens hadden zij veel gemeen. Ze hadden beiden dezelfde klasse.” Nog zo’n Cruijff-adept was de in ballingschap wonende Russische balletdanser Rudolf Nureyev, die vond dat Cruijff ook danser had moeten worden. En zelfs deze ‘gelukkige’ buitenlanders weten niets van bijvoorbeeld de lob van Cruijff over ADO-doelman Ton Thie in 1972.

De gemiddelde buitenlandse voetbalfan, zelfs eentje die de jaren zeventig bewust heeft meegemaakt, heeft Cruijff amper gezien. Net zo triest: hij heeft Cruijff amper gehoord. Buitenlandse journalisten trokken zelden naar de kantine van het oude De Meer om Cruijff tussen de middag voor een interviewtje aan te schieten. De meeste landen hebben sowieso geen diepgaande praatcultuur rond het voetbal. Nederland, Duitsland en Italië zijn wat dat betreft uitzonderingen – en Nederland werd dat juist dankzij de invloed van Cruijff.

In het buitenland kwam de voetballer Cruijff bijna nooit op tv.

Zelfs in Spanje beperken voetbalinterviews zich veelal tot: „Hoe gaat het met je knie, kan je zondag spelen?” In landen waar weinig over voetbal werd nagedacht, zat niemand op de eindeloze woordenstroom van Cruijff te wachten. De Brit Bobby Stokes, die begin jaren tachtig met Cruijff bij de Washington Diplomats speelde, grapte dat toen de ‘Dips’ Cruijff kochten, ze tevens een jaarvoorraad katoenwatten hadden moeten aanschaffen om de oren van de spelers op te stoppen. Cruijff bewaarde zijn woorden daarom vooral voor Nederland.

2503spe cruyff

De meeste mensen die donderdag van zijn dood hoorden, kenden hem dus amper. Ik gaf die dag een aantal interviews aan Britse radio- en tv-zenders, en steeds moest ik basisvragen beantwoorden: wie was hij? Waarom was hij zo belangrijk? In Nederland was Cruijff vooral sportman en prater, maar in het buitenland – waar hij veelal zonder soundtrack werd waargenomen – was hij meer een plaatje. Voor buitenlanders behoorde hij met mensen als Richard Nixon en David Bowie tot het wandpapier van de jaren zeventig. Hij gaat de internationale herinnering in als langharig stijlicoon. ‘L’icône des 70’s: L’aura d’une rock star’, kopte L’Equipe op vrijdag. Maar zelfs als verschijning was hij niet alom herkenbaar. Op de voorpagina van de Cruyff-special die The Guardian deze week publiceerde, prijkt een foto van de net zo ranke en langharige Rob Rensenbrink.

Vergelijk Cruijff eens met Lionel Messi. Bijna elk doelpunt dat de Argentijn als profvoetballer heeft gescoord, is de wereld overgegaan. Je kunt in Kuala Lumpur wonen en hem elke week zien spelen. Messi behoort tot de universele cultuur. Cruijff daarentegen behoorde tot de Nederlandse en Catalaanse cultuur. Hij was óns geheim. Iedereen die tot en met 1984 bewust voetbal heeft gekeken in Nederland, en tot pakweg 2000 de Nederlandse voetbaldiscussie volgde, behoort tot een select gezelschap gelukkigen.

Zijn biograaf Nico Scheepmaker zei het goed. Toen Cruijff op 13 mei 1984 om 16.06.30 uur in zijn laatste wedstrijd met Feyenoord tegen PEC Zwolle werd gewisseld, zat Scheepmaker op de perstribune. „Ik heb toen mijn schrijftafeltje omlaag geklapt”, schreef hij in zijn fenomenale Cruijff, Hendrik Johannes, fenomeen, „zodat ik kon opstaan en even kon applaudisseren voor de man die mijn leven de laatste twintig jaar zonder enige twijfel aanzienlijk aangenamer en rijker had gemaakt dan zonder hem het geval zou zijn geweest.”

Als tijdgenoot en landgenoot van „Europa’s beste voetballer” vond Scheepmaker zichzelf „uitverkoren”.

Zo is het precies. Voor al die buitenlandse fans die Cruijff alleen van de ‘Cruyff Turn’ kennen, voel ik een grenzeloos mededogen.