Betondorp herbeleeft de tijd van ‘Jopie’

De wijk waar Johan Cruijff opgroeide, ziet eruit als in de jaren 50.

„Het is zo kort geleden.” In het onderdoortje aan het eind van de Karnstraat beginnen de ogen van Jopie Padding te glinsteren. Ze speelt weer trefbal tussen de lantaarnpalen. Ze hangt met haar vriendinnen op het Zuivelplein, een grasveldje. En daar komen de jochies uit de Akkerstraat aangelopen, met die andere Jopie altijd voorop. Jopie Cruijff, zoals hij toen werd genoemd.

De dood van Johan Cruijff brengt Jopie Padding ineens terug in het Betondorp van de jaren 50. En niet alleen haar, deze donderdagmiddag wemelt het van de oude Betondorpers die hun jeugd herbeleven tegenover de tientallen verslaggevers die met camera, microfoon of opschrijfboekje alles willen horen over de voetbalheld die hier kind was.

Het helpt dat Jopie Padding knalroze gympen en een knalgroen windjack draagt; ze oogt als een meisje. Het helpt ook dat Betondorp, anders dan alle andere Amsterdamse volksbuurten, niet is aangetast door nieuwbouw of schreeuwende winkelpuien; het dorp is bevroren zo omstreeks 1950. Het grijs en wit van de 900 betonnen huizen is gekoesterd bij een grote renovatie in de jaren 80. En de 1.000 bakstenen huizen, die soms als poorten over de straten heengaan, worden zorgvuldig onderhouden door de woningcorporaties. Het enige dat echt is veranderd, is dat Ajax in 1996 stadion De Meer, pal tegen Betondorp aan, verruilde voor de Arena.

Ien Copiers is weer een stukje ouder dan de twee Jopies uit de buurt: 84 nu. Ze woont nog altijd in de Akkerstraat, twee poorten verder dan de groentewinkel van Cruijffs ouders. Straks pakt ze de auto en gaat ze naar de supermarkt „buiten het dorp” – alle oudere bewoners noemen het zo. Nu ploft ze eerst even neer op de bank. Ze is er kapot van. Een jochie, zo ziet ze hem nog staan te koppen onder de poort naast de winkel van zijn ouders. Lieve mensen, zegt Copiers. En hij een leuk, levendig jochie. Echt Amsterdams, niet op zijn mondje gevallen. „Schiet op, dikke”, riepen de voetballende jongens als Ien Copiers wat te rustig langsfietste en zij hun spel moesten stilleggen. Op straat voetballen, dat zie je nou ook niemand meer doen, zegt ze.

Op straat misschien niet, wel op het Cruyff Court dat in 2014 geopend werd door Cruijff zelf. „Hij heeft met ons gevoetbald”, zegt Sem in de camera van RTL4. „Ik heb hem een panna gegeven.”

Cameraploeg na cameraploeg komt op de voetballende jongens af. Kleine Cruijffjes, maar dan niet met van die lompe schoenen waarmee hij toen een balletje hooghield. Ze weten keurig wie hij is – „een heel goede voetballer”. En als de cameraman vraagt of ze een penalty willen nemen, dan spelen ze de befaamde tik-tik-tik-goal penalty van Cruijff en Jesper Olsen na, Jaïr in zijn blauwe Chelsea-shirt, Sem in het rood van Manchester United.

„Daar komt er nog een”, zegt Jaïr blasé, als door de Weidestraat alweer een verslaggever aangelopen komt. Hij heeft toch zijn moeder even gebeld. „Kwart over zes. Bij RTL4. De belangrijkste.” Zijn moeder is van een paar straten verderop komen aanrijden en rookt een sigaretje in de auto, terwijl de jongens weer vragen beantwoorden. Hij zou op 24 april komen voor een buurtvoetbaltoernooi. De jongens hebben afgesproken dat ze dan allemaal een minuut stil zullen zijn voor Johan Cruijff. En dat ze het hele toernooi geen ‘kanker’ zullen roepen, hoe beroerd de wedstrijd ook gaat.

„20”, roept Melvin ineens. „19”, zegt Danny. „18”, roept Jaïr. „17”, zegt Sem. En dan moet Alexander dus op goal. Danny peert de bal alvast in de verre hoek.