Column

Bellen met Johan Cruijff

Tussen alle elegante necrologieën over Johan Cruijff wat harde onderzoeksjournalistiek. Ik ontmoet mijn eerste journalistieke compagnon Menno de Galan in een café aan het spoor in Baarn. Met hem beschreef ik in 2002 lik op stuk de politieke opkomst en ondergang van Pim Fortuyn. Een marathonjaar was dat, waar Menno zich met tomeloze energie doorheen sloeg.

Albert de Booij, rechterhand van Fortuyn, vertelde me later hoe Menno hengelde naar details. „Waar we precies hadden gegeten, wat voor visje, wat voor wijn.”

In 2006 schreef Menno de Galan over de gouden Ajax-jaren, De trots van de wereld, in 2012 De coup van Cruijff, toen Cruijff net de hele club op zijn kop had gezet met een column in De Telegraaf, en het bestuur moest aftreden. De rode draad in beide boeken: de opkomst van Johan Cruijff als „voetballer van kwikzilver die op latere leeftijd zijn tanden stukbeet op Ajax.”

Over de dood van Cruijff schudt hij zijn hoofd: „een raadsel, net als zijn leven. Wat weten we eigenlijk van hem?”

Als jongen in het Drentse Roden had hij een „absolute liefde” voor Ajax. „Maar die ontwikkelde zich tot een onthechte liefde toen de club in 1978 van Bayern München verloor”, zegt hij. „Niet door het verlies, maar doordat Ajax de Duitse club zo kil ontving.”

Vanaf dat moment voelde hij zich onafhankelijk ten opzichte van Ajax. En daar begon zijn journalistieke belangstelling. „Ik wilde er niet bijhoren. Ik wilde me niet laten meezuigen in het jongensachtige enthousiasme dat de sportjournalistiek kenmerkt. Ik wilde een antwoord op de vraag: wat gebeurt hier allemaal?”

Zoals we greep probeerden te krijgen op Fortuyn door de coterie om hem heen te spreken, zo probeerde Menno in 2012 ook Cruijff te doorgronden. Hij sprak tientallen bestuurders en medewerkers in de Arena, maar ook in het ‘kamp-Cruijff’ – via diens zaakwaarnemer Rutger Koopmans, die hem over diens „spelletjes” vertelde. „Als Cruijff zei dat er spelletjes werden gespeeld, wist je altijd dat híj spelletjes speelde. Hij wilde altijd winnen.”

Ook Cruijff zelf sprak hij wel eens telefonisch en hij ontmoette hem een enkele keer. Maar dan zoals journalist Gay Talese ooit Frank Sinatra ontmoette voor een portret: meer observerend dan inhoudelijk. „Ik zag zijn optredens.” En hij was verbaasd dat hij vaak de enige journalist was die rondhing. Daardoor voelde hij vroeg de grote botsing tussen het kantoor (de Ajax-bestuurders) en de kleedkamer (het kamp Cruijff).

„Er zit niet veel idealisme in mij als journalist”, zegt Menno de Galan. „Ik vind de dreigende destructie interessant. Die zag ik bij de coup van Cruijff.”