‘Alles draait hier om sterk zijn’

Ze kreeg de Nobelprijs voor haar boeken waarin levensverhalen optekende die de tragiek van het Russische volk blootleggen.

Svetlana Alexijevitsj: ‘In Rusland is de filosofie van het geweld teruggekeerd’ Foto Ringel Goslinga

Svetlana Alexijevitsj is somber. Niet omdat ze, sinds ze in december 2015 de Nobelprijs voor Literatuur kreeg, de halve planeet afreist om lezingen te geven, maar omdat ze vreest voor de toekomst van de wereld en die van de voormalige Sovjet-Unie in het bijzonder. En dat terwijl ze van nature een opgewekte vrouw is.

Voor de presentatie van de Nederlandse vertaling van haar boek De oorlog heeft geen vrouwengezicht is ze even in Amsterdam. Pas nadat ze ook Oekraïne, Colombia en Peru heeft aangedaan, hoopt ze weer de rust te vinden om in haar tweekamerflatje in de Wit-Russische hoofdstad Minsk verder te schrijven. Opmerkelijk is dat haar boeken daar niet worden uitgegeven, terwijl Het einde van de rode mens, haar boek met literaire ooggetuigenverslagen uit de Sovjet-Unie, een wereldwijde bestseller is. „Maar ze zijn er wel te koop”, zegt ze, „omdat president Loekasjenko met Europa flirt.”

Hoe reageerde Loekasjenko op die prijs?

„Hij liet op televisie een verklaring voorlezen waarin hij me feliciteerde. Maar twee dagen later zei hij dat ik de Russische bevolkingsgroep in ons land belasterde.”

Uw zojuist vertaalde boek gaat over de Tweede Wereldoorlog, die in de voormalige Sovjet-Unie nog volop leeft. Hoe komt dat?

„Oorlog is in een totalitaire samenleving een vorm van bestaan. Voor ons was oorlog zelfs de enige vorm van bestaan. De Sovjet-Unie was permanent gemobiliseerd.”

Wanneer veranderde die situatie?

„Tijdens de perestrojka. We dachten toen nog dat het volk naar vrijheid en democratie verlangde. Maar tijdens mijn reizen door Rusland, Wit-Rusland en Oekraïne merkte ik dat het daar heel anders over dacht. Het volk wilde een goed leven: een spijkerbroek, bananen, een buitenlandse auto. Meer niet. Over de communistische dictatuur werd gezwegen, wat ik niet kon begrijpen. En toen kwam Poetin, die omwille van het Westen aanvankelijk de democraat uithing. Toch is hij niet in zijn eentje schuldig aan alles wat er nu in Rusland gebeurt. Eerder is sprake van een collectieve schuld. Poetin voldoet aan alle verlangens van het volk en spreekt daarbij een militaristische taal. Ook heeft hij het steeds over het machtige Rusland dat door vijanden wordt omringd. Tot mijn ontzetting is het volk die taal ook gaan spreken, net zoals tijdens de Sovjet-Unie. Van iemand die uit een kamp komt, kun je nu eenmaal niet verwachten dat hij vrijheid wil.”

Had het anders kunnen lopen als er een waarheidscommissie aan het werk was gegaan?

„Dat had in de jaren negentig zeker gekund, als er maar niet zoveel medeplichtigen waren geweest. Vermoedelijk was er dan wel een burgeroorlog uitgebroken, want als de ene communist over de andere had moeten oordelen, dan was dat onaanvaardbaar geweest.”

Verklaart dat waarom er in ‘Het einde van de rode mens’ geen normaal mens voorkomt.

„De verwerking van de Sovjetdictatuur duurt lang. De mensen zijn er niet klaar voor. Onder Gorbatsjov en Jeltsin is dat proces op gang gebracht, maar Poetin heeft het stilgelegd. Jeltsin wilde een democratie vestigen, maar kreeg met grote problemen te maken: de instortende economie en oorlogen in opstandige grensgebieden. Maar niemand had kunnen voorspellen dat Poetin in 2012 zou zeggen dat het genoeg was en we nu alleen nog maar dat zouden gaan opbouwen wat we kennen: een machtig Rusland. En ze geloven het allemaal.

„In Rusland is de filosofie van het geweld teruggekeerd. Toen Poetin Syrië begon te bombarderen waren de mensen op straat verrukt van al het wapentuig dat op de televisie werd getoond. Toen er nog veel geld uit de olie- en gasverkoop binnenkwam, vroegen we ons af waar dat allemaal heen ging– niet naar de gezondheidszorg of het onderwijs. Nu blijkt dat het aan wapens is besteed. Rusland is weer een gevaarlijk land. Het Sovjetdenken is terug: we hebben een groot leger, een machtig land, een verenigd volk. Die nostalgie wordt door Poetin gevoed.”

U levert kritiek op de oorlog die Poetin in Oekraïne voert. Velen nemen u dat kwalijk.

„U moet niet vanuit uw westerse perspectief naar onze wereld kijken. Het is alsof u de metro van Minsk volgens de dienstregeling van New York wilt laten rijden. Onlangs vloog ik naar Berlijn en zat ik naast een sympathieke, ontwikkelde Rus. Hij las Duitse kranten, keek Duitse televisie, had een Duitse vrouw. En toch zei hij: de Krim is Russisch en van ons. Zo zie je maar dat je je niet zo makkelijk kunt bevrijden van die Sovjetmentaliteit.”

In ‘De oorlog heeft geen vrouwengezicht’ komen meisjes voor die het liefst zo snel mogelijk naar het front willen. Waarom in godsnaam?

„In Rusland draait alles al honderden jaren lang alleen maar om sterk zijn. Het menselijk leven heeft bij ons weinig waarde. Uit die opstelling komt zowel onze cultuur voort, als Poetin en de 96 procent van de bevolking die hem steunt.”

Noemen ze u daarom een verrader?

„Alle normale mensen die kritische vragen stellen zijn verraders. Mijn vrienden proberen op alle mogelijke manieren te ontsnappen aan het huidige, absurde leven, dat ze al eens hebben meegemaakt en zich nu herhaalt. Dinsdag is bijvoorbeeld de Oekraïense gevechtspiloot Nadija Savtsjenko door een Russische rechtbank in Donetsk op grond van een verzonnen beschuldiging tot 22 jaar kamp veroordeeld omdat ze haar land verdedigde. Een journalist vroeg aan inwoners van die stad, die de oorlog hebben meegemaakt, wat ze van dat vonnis vonden. Hun antwoord luidde unaniem: ze moet geëxecuteerd worden. Ineens begreep ik dat zolang die Sovjetmentaliteit bestaat, de burgeroorlog bij ons voortduurt.

„Ik heb drie artikelen over de oorlog in Oekraïne geschreven. Daardoor heb ik veel vrienden – intellectuelen en schrijvers verloren. Zij die in 1991 het standbeeld van Dzerzjinski voor het KGB-hoofdkwartier neerhaalden, hebben het nu over het Grote Rusland en zijn terug bij af.”

‘De oorlog heeft geen vrouwengezicht’ kon pas tijdens de perestrojka verschijnen. Maar zelfs toen moest u delen schrappen.

„Om de mensen in de Sovjet-Unie permanent te kunnen mobiliseren, moest hun een mooiere waarheid worden voorgehouden. We wisten toen niets over de oorlog. De grootste schok uit mijn jeugd was dat op straat iets heel anders over de oorlog werd verteld dan op school. Zo wilde de censuur de verhalen geschrapt zien over Wit-Russische partizanen en hun vrouwen, die het bos in vluchtten zodra de Duitsers kwamen. Ze verstopten zich vaak in het water en werden door hun vijanden met honden omsingeld. Als hun kinderen van de honger begonnen te huilen, dan waren die vrouwen in staat om hen te verdrinken. Dat was een hoge prijs voor een overwinning, die men liever als iets moois en nobels voorstelde.”

U schreef begin jaren tachtig als eerste over die soldatenvrouwen. Wat zocht u in hun levens?

„Ik ontdekte dat er wel twee oorlogen leken te worden gevoerd. De mannen spraken over hoe ze terrein hadden veroverd, maar hun vrouwen, die ook vochten, vertelden heel andere verhalen. Zo zei een van hen: ‘Och meisje van me, ik kan je niet vertellen hoe verschrikkelijk het allemaal was.’ Na afloop van een gevecht had ze naar overlevenden moeten zoeken. Op het slagveld zag ze dat die dode soldaten allemaal jong en mooi waren, zowel de Russen als de Duitsers. Ze lagen in het struikgewas en keken naar de hemel. Ze kreeg zo’n medelijden met ze. De vrouwen hielden zich niet alleen met de gevechten en de overwinning bezig. Voor hen was de oorlog ook het leven. Ze hadden oog voor het lijden van de paarden en de vogels, voor de verwoeste dorpen. Ze waren anders dan de mannen. Ik heb dat zelf in de oorlog in Afghanistan ervaren: de mannen hielden van uniformen en wapens, maar ik kwam geen vrouw tegen die er ook zo over dacht.”

Vochten de vrouwen uit plichtsbesef?

„De Stalintijd was niet zo simpel als wij nu denken. Alles draaide toen niet alleen om Stalin en Beria (het hoofd van de geheime politie, red.). In Het einde van de rode mens vertelt een man dat hij in zijn jeugd verliefd was op zijn mooie tante Olga. Tijdens de perestrojka vertelde zijn moeder hem dat zijn tante haar eigen broer had aangegeven en dat die vervolgens omkwam in een kamp in Siberië. Hij vroeg toen aan tante Olga wat ze zich herinnerde van 1937, het hoogtepunt van Stalins terreur. Ze zei dat het de gelukkigste tijd van haar leven was: ze was verliefd en werd bemind. Toen hij vroeg hoe het met haar broer zat die was omgekomen in een kamp, zei ze dat hij maar eens moest proberen om één eerlijk mens uit de Stalinjaren te vinden. Het kwaad was niet dus alleen Stalin en Beria, maar ook die mooie tante Olga. Het zit in ieder mens.

„Aan de soldatenmeisjes had dat kwaad zich nog niet geopenbaard. De jeugd was toen makkelijk te bedriegen. De Stalinjaren zijn dus ook die mooie meisjes. In mijn boek wil ik dat hele plaatje laten zien. Zo vertelt een beul dat hij zoveel mensen moest doodschieten dat hij een speciale masseur kreeg toegewezen voor zijn rechterhand. Maar ik sprak ook een 16-jarig meisje dat met een koffer chocolaatjes naar het front ging. Het is een duivelse verscheidenheid aan dingen die ik heb opgeschreven.”

Vrouwen schakelden als soldaat hun gevoelens uit. Maar toch zijn ze bezig met schoonheid, jurken, een nieuw kapsel.

„Een vrouw die ik naar haar verschrikkelijkste moment in de oorlog vroeg, antwoordde: ‘Jij denkt zeker dat het erg is om dood te gaan, maar het is veel erger om de hele oorlog in een lelijke lange mannenonderbroek te moeten lopen. Stel je voor, in mijn afdeling waren er vijf mooie meisjes die er zo bij liepen. Ik zei tegen mijn commandant dat ik best voor het vaderland wilde sterven, maar niet in zo’n onderbroek.”

    • Michel Krielaars