Welkom thuis!

Vanaf morgen is ‘Het straatje van Vermeer’ weer even terug in Delft. Het ‘thuiskomen’ van kunstwerken is een trend in de Nederlandse musea. „Het publiek staat meer open voor veiligheid en herkenning.”

‘Vermeer komt thuis’ heet de tentoonstelling die Museum Prinsenhof in Delft organiseert van 25 maart tot half juli, de tijd dat het museum Het straatje van Vermeer in bruikleen krijgt van het Rijksmuseum in Amsterdam.

‘Welkom thuis, Jheronimus!’ stond eerder boven een advertentie voor de grote Bosch-tentoonstelling in het Noordbrabants Museum. Daaronder: ‘Kom naar ’s-Hertogenbosch in 2016 en vier de thuiskomst van Jheronimus Bosch!’

Als je erop gaat letten wordt het een hele rij.

Claude Monet schilderde De Voorzaan en de Westerhem toen hij in 1871 vier maanden in de Zaanstreek woonde. Het werk kwam juni vorig jaar in bezit van het Zaans Museum. „Monet is terug aan de Zaan”, liet het museum weten.

Of neem Kasteel Duivenvoorde in Voorschoten. Dat kocht in oktober Schaatsers bij een Hollandse stad van Andreas Schelfhout. Het was „een schilderij dat ruim honderd jaar geleden nog in familiebezit was” en dat nu „terugkwam”.

De aankoop van twee Delftsblauwe bloemenvazen waarin je Willem III en Mary II zou kunnen zien? Die werd vlák voor Koningsdag gepresenteerd. Het Gemeentemuseum Den Haag gebruikte niet het woord ‘thuiskomen’, wel waren de vazen „voor Nederland behouden”.

Maar het viel natuurlijk vooral op toen het Rijksmuseum eind vorig jaar voor 160 miljoen euro Rembrandts portretten van Maerten Soolmans en Oopjen Coppit wilde kopen. Begrippen als ‘thuiskomen’, ‘terugkomen’ of ‘behouden voor Nederland’ werden in die tijd tientallen keren gebruikt, in de media, door politici, door museumdirecteuren.

Kun je spreken van een trend? En als dat zo is, waar komt die trend dan vandaan?

Ja, zo kun je het zien, zegt Fusien Bijl de Vroe, directeur van de Vereniging Rembrandt, een organisatie die al meer dan honderd jaar met particulier geld kunstaankopen steunt. Begrijp haar niet verkeerd: de Monet, de Schelfhout, de Delftsblauwe bloemenvazen: ze zijn allemaal aangekocht met hulp van de vereniging. Want het waren interessante, soms in hun soort unieke werken, ze vulden de collectie van het museum aan of konden worden gezien als een verrijking van het gehele openbaar kunstbezit.

Maar dat waren de overwegingen van de Vereniging Rembrandt. Het gevoel van ‘thuiskomen’, ‘terugkomen’ en ‘behouden voor Nederland’, zegt Fusien Bijl de Vroe, „is een sterk toegenomen behoefte van musea en museumbezoekers, bij de steun van onze vereniging staat het niet voorop”.

Hoe verklaart zij die behoefte? „Het is neonationalisme. Je zag het vooral bij de twee Rembrandts. Die verbeelden de mentaliteit van een jong, zelfbewust land, het soort zelfvertrouwen dat we ook nu weer zouden willen hebben. In het verlengde daarvan hechten mensen ook steeds meer belang aan de eigen regio.”

Wat er ook bij hoort, zegt ze: „Musea willen graag een verhaal vertellen waar het publiek op afkomt. En dat publiek staat tegenwoordig meer open voor veiligheid en herkenning, want ook dat is de tijdgeest. Dus vertellen musea minder vaak hoe internationaal en grenzeloos kunst is.”

Waardevolle toevoeging

Er zijn meer redenen. Terugkomen in eigen stad of streek spreekt ook aan bij fondsenwerving. „Neem de Monet in Zaandam”, zegt Peter Hecht, hoogleraar kunstgeschiedenis in Utrecht en bestuurslid van de Vereniging Rembrandt. Deze negentiende Monet in een Nederlandse collectie was volgens de Vereniging Rembrandt tóch een waardevolle toevoeging, „wegens de ongewone techniek, het hoge niveau en de gevoeligheid voor het eenvoudige, verstilde landschap” die het werk liet zien.

Maar voor bedrijven uit de regio golden waarschijnlijk vooral andere overwegingen. Peter Hecht: „Die deden mee uit een soort lokaal patriottisme. En het is natuurlijk mooi dat dat gebeurt.”

Tegelijk vindt hij „ die nationalistische sfeer beklemmend”. Waarom, vroeg hij zich bijvoorbeeld eerder af in een artikel in het blad Kunstschrift, staat een Japanse lakkist die het Rijksmuseum in 2013 aankocht niet in het Aziatisch paviljoen, maar wordt hij getoond „als deel van de oogst van onze handel overzee?”. Peter Hecht gaf zelf het antwoord: „Het gaat daarbij dus meer om de glorie van Amsterdam dan om de kennismaking met deze bijzondere kunstvorm uit Japan.”

Kortom: de nadruk op weer thuiskomen is goed voor fondsenwerving, kan een verhaal vertellen en past in de tijdgeest, maar kan ook benauwend en bekrompen zijn, of in elk geval zo overkomen. Hoe zien musea dat zelf?

Directeur Patrick van Mil van Museum Prinsenhof in Delft zit middenin een verbouwing: om Het straatje van Vermeer te kunnen tonen, wordt de beveiliging van het museum geheel vernieuwd. Die vernieuwing was toch al nodig, maar is met goedkeuring van de gemeenteraad, die het betaalt, een paar jaar naar voren gehaald. „Een smak geld”, vond de wethouder de 2,2 miljoen euro die het kost, maar ja: de dag van de opening lag in verband met de bruikleen vast en was ook al „breeduit gecommuniceerd”.

Niet alleen het interieur wordt onderhanden genomen, trouwens. Wie vanaf 25 maart Delft bezoekt zal „heel anders” naar Museum Prinsenhof geleid worden, zegt Patrick van Mil. Nu is het zoeken – de museumingang ligt verscholen, bewegwijzering is er nauwelijks – straks begint de tentoonstelling al op het station. Er komt een route door de stad van locaties waarvan eerder werd gedacht dat die misschien Het Straatje waren, je kunt hotspots zien van plekken die belangrijk waren voor Vermeer, eenmaal in het museum zijn daar ook tijdgenoten van hem te zien, met ‘gezichten op’ Delft. Patrick van Mil: „De stad wordt een soort extended exhibition. Met Vermeer kan dat alleen in Delft.”

En ja, zegt ook hij, het weer thuiskomen van kunstwerken is een trend. Of eigenlijk ziet hij twee stromingen ontstaan, met name bij middelgrote musea. Patrick van Mil: „Een aantal profileert zich meer als kunsthal, met tentoonstellingen die losstaan van hun regio. Die brengen Turner, David Bowie of de Maya’s. Daarnaast heb je musea zoals dat van ons, die zich afvragen wat hun toegevoegde waarde is voor de stad, wie de cultuurhelden zijn die ze kunnen laten zien.”

Dat laatste „zie je natuurlijk vooral als een museum een collectie heeft waarin een werk ook thuis kan komen, want dan heb je een sterk verhaal”. In Delft wordt dat straks het verhaal van Vermeer, „maar het hoeft niet een verhaal uit het verleden te zijn”. Museum Prinsenhof toonde onlangs Jan Schoonhoven, straks Theo Jansen. Patrick van Mil: „Dat zijn kunstenaars van onze tijd, die zijn voortgekomen uit het culturele klimaat van hier. Zo kunnen we een verbinding leggen tussen hun werk en de stad. Alleen het verleden laten zien zou inderdaad beklemmend zijn.”

Koopmansgeest

Hoe zit het dan met de Monet voor het Zaans Museum? Dat museum toont enkel de geschiedenis van de Zaanstreek. Sterker, het staat op het terrein van de Zaanse Schans: 1,9 miljoen bezoekers in 2015, vooral buitenlanders, die afkomen op het clichébeeld van Nederland: molens, water, groen geverfde houten huisjes, koopmansgeest onder lage luchten.

Directeur Jan Hovers heeft Monets De Voorzaan en de Westerhem afgebeeld op de omslag van de missiestatement van het Zaans Museum. Met zijn aanwinst wil hij juist de achterkant van het clichébeeld laten zien, zegt hij. Jan Hovers: „Wat Monet nog in het wild zag, zien miljoenen toeristen nu in een soort reservaat. Die toeristen met hun selfiestick willen we nog een keer aan hun mouw trekken: ‘Wat zie je nou écht?’”

Het heden nuanceren dankzij het verleden dus, in plaats van dat verleden te romantiseren. Maar ook zo’n verhaal spreekt des te meer aan als het vervult met trots. Jan Hovers: „Monet is een buitenstaander, die deze streek status geeft. Dán trekken Zaankanters de portemonnee, we hadden in no time fondsen geworven. Zelfs Ahold deed mee, terwijl zij doorgaans terughoudend zijn.”

Directeur Annette de Vries van Kasteel Duivenvoorde noemt het ‘de opkomst van context’. „En ik denk dat ons soort huizen daarom meer in de lift zit, de laatste tijd.” Kasteel Duivenvoorde telt veertien historische kamers, waar al met al honderdveertig familieportretten hangen. En sinds kort dus ook weer Schaatsers bij een Hollandse stad van Andreas Schelfhout, een werk dat eerder in bezit was van de voormalige bewoners van het bijna achthonderd jaar oude buiten bij Den Haag.

Door de aanwinst gaat het bezoekersaantal omhoog, dat trouwens toch al steeg. Ook hier ging de fondsenwerving uiteindelijk vrij vlot: fondsen, bedrijfsleven en publieksgeld. Eerder dit jaar kreeg Duivenvoorde ook nog geld van de BankGiroLoterij, voor het in weer goede staat brengen van collectie en interieurs. „Het verhaal van de context van kunst”, zegt Annette de Vries, „vervangt steeds vaker die witte muur met dat ene object.”

Er is nog een manier om ertegenaan te kijken. Hoogleraar Peter Hecht: „De opbouw van onze openbare kunstcollectie begon in de negentiende eeuw met het behoud van het weinige wat we nog hadden. Maar dat veranderde al snel in: zoveel mogelijk terugbrengen van wat we kwijt waren geraakt. Het idee van nationale kunst ter ondersteuning van een nationale identiteit stamt uit die tijd, internationaal en modern verzamelen kwam pas later in zwang. Maar nu is die nationalistische sfeer weer terug.”

Fusien Bijl de Vroe van de Vereniging Rembrandt: „De tijd waarin je leeft bepaalt wat je verzamelt, ook wat je ziet in een museum is daarvan de weerslag. Misschien kijken we later op deze tijd terug als een tijd waarin we weer minder openstonden voor het andere en het onbekende.”