‘In zekere zin ben ik waarschijnlijk onsterfelijk’

Aan gelijk krijgen deed Johan Cruijff niet, hij nam het. Dat kwam natuurlijk ook tot uiting in zijn bijzondere taalgebruik.

ANP

Johan Cruijffs meest kenmerkende eigenschap was zijn totale gebrek aan ontzag. Voor alles en iedereen. Als hij maar tijd van leven had gehad, zou ooit het moment zijn gekomen dat hij ons uitlegde dat de zwaartekracht niet bestaat. En geen Vincent Icke of Robbert Dijkgraaf zou hem op andere gedachten kunnen brengen. Zijn uitspraak „De Italianen kennen niet van je winnen maar je ken wel van ze verliezen” was ook op hemzelf van toepassing: je kon van Cruijff eigenlijk alleen verliezen. Als je van hem won, had hij je laten winnen, zodat je toch weer verloren had.

Hij liet ons zien hoe je in magie gelooft

Gebrek aan ontzag is een wezenskenmerk van het genie. Je zou het een definitie van innovatie kunnen noemen: alleen wie de conventie tart, komt tot nieuwe ideeën. In de natuurkunde moet je dan duizend jaar theorievorming weerleggen, in het voetbal moet je een cup veroveren. Wie de cup heeft, heeft gelijk. Cruijff had gelijk, aan gelijk krijgen deed hij niet, hij nam het. Ook de meest verstokte rationalisten willen deep down in magie geloven, en Cruijff liet zien hoe je dat doet. Logica zei hem niets, dat wil zeggen: de logica die in boekjes staat. Zijn grappige non sequiturs zullen de komende dagen weer veel aangehaald worden.

 

Klik of tap op de bollen om een aantal van Cruijffs uitspraken te lezen.

Voor mij bestaan de Cruijffismen in twee categorieën: de rake paradoxen en de vervelende blufteksten. „De Italianen kunnen niet van je winnen, maar je kunt wel van ze verliezen.” Het kan niet, en toch klopt het.

„Als ik wou dat jij het begreep legde ik het wel beter uit” is er een van de tweede categorie. Het alfa-mannetje dat coûte que coûte moet domineren, desnoods met flauwekul.

Mijn fascinatie voor zijn manier van spreken dateert van 1994. Cruijff zou het nationale elftal als bondscoach begeleiden naar het WK van 1994 in Amerika. Of toch niet, en toen weer wel, maar uiteindelijk toch niet, en heel Nederland was ontredderd. Wekenlang hield hij zich schuil voor de pers, tot hij op 3 januari van dat jaar Frits Barend en Henk van Dorp een audiëntie verleende. Zijne Cruijffheid kwam uiteraard niet naar Nederland, RTL trok naar Barcelona.

Het tweede gedeelte

Zijn performance die avond was van een raadselachtige schoonheid. Ik citeer uit een column die ik toen schreef: „In de eerste minuten zag je het eigenlijk al, toen de maestro vanuit stilstand een hakje speelde: hij wilde met het onderwerp ‘geld’ beginnen omdat dat het minst belangrijk was, maar toen dat punt was afgehandeld, en de wérkelijke redenen moesten komen, stelde hij dat de overige punten eigenlijk ondergeschikt waren. Niemand had hier zo gauw van terug, zodat Cruijff ongestoord vaart kon maken voor zijn volgende rush, die ook vol schijnbewegingen en tussen-de-beners was.”

Ik had het programma opgenomen en tikte zijn woorden letterlijk uit:

„Dat is ook het punt dat je komt: idealistisch wil ik het, realistisch heb ik er niks mee te maken. Het realistische is dat iedereen die mij een beetje na staat in het voetbal, die heeft op twee basisredenen eigenlijk voor 99 procent afgeraden om het te doen. En mensen die negatief in het realistische adviseren, ís natuurlijk negatief. Kom je bij het andere gedeelte: wat is idealistisch? Het is dat je met spelers komt wie hun zakken gevuld zijn en die het dus van iets anders moeten hebben. Ik denk dat het dus wel mogelijk is een heel goed WK te maken, maar dan dus wel op totaal andere leest geschoeid. Als zijnde Idealistische manier. Ga je nou eens lekker wegdromen, doe ik vaak, dan komen daar hele andere dingen bij en dan komt het allerbelangrijkste gedeelte – denk ik – als je dus weer in dat Idealistische zit – dat je daar dus naar toe gaat niet om mee te doen, maar om wereldkampioen te worden.”

„Maar”, ondernam Frits Barend na tien minuten een poging tot interruptie.
„Nee, nee”, zei Johan vriendelijk, „leer nou ’ns luisteren. Jullie zítten zo snel. Ik kom zo in het tweede gedeelte.”
Aangeslagen zochten Frits en Henk even rust bij Marco van Basten, die ook te gast was. Had Cruijff het slim gespeeld?

„Slim, slim, wat is slim?” interrumpeerde Cruijff, nog voor Van Basten iets had kunnen zeggen.
„Dat wou ik juist van Márco weten”, zei Van Dorp.
„Dan moet je de vraag stellen hoe hij gesteld moet worden.”
„Hoe dan?”, vroeg Barend gedienstig.
„Heeft de KNVB fouten gemaakt, dáár gaat het om.”
„Wat krijgen we nu?” viel Van Dorp uit, „ik kan mijn eigen vragen wel stellen, hoor!”

Cruijff legt ‘de ruit’ uit tijdens het EK voetbal van 2006:

Cruijff is een Catalaan

Ik kwam in die jaren zelf geregeld in Catalonië en was gefascineerd door de grillige, grimmige en tegelijk goedmoedige speelsheid van de Catalaanse kunst en cultuur, met figuren als Dalí, Miró, Tusquets, Gaudí en Mariscal. Terwijl hij zo zat te fantaseren zag ik het: „In Catalonië begrijpen ze Cruijff. Hij is daar opgebloeid, als een verbleekte goudvis die weer kleur krijgt in open water. Cruijff is een Catalaan.”

„Cruijff is getranscendeerd. Opgestegen naar een hogere luchtlaag van de logica. We zijn hem kwijt.”
We waren hem al kwijt. Misschien is hij er wel nooit geweest. En zal hij er altijd zijn. Zoals hij zelf zei: „In zekere zin ben ik waarschijnlijk onsterfelijk.”