Hij werd stapelgek van schilderen van ‘idiote’ adel

Tentoonstelling Thomas Gainsborough was een populaire portrettist van de Britse adel. Maar zelf werd hij stapelgek van het schilderen van deze ‘idioten’ en maakte hij liever landschappen, zo blijkt in Rijksmuseum Twenthe.

Niet lang voor zijn overlijden in 1788 schilderde Thomas Gainsborough zijn zelfportret. De kunstenaar was toen rond de zestig en toont zichzelf als een los geklede gentleman met halflange grijze lokken, een alerte blik en een zo te zien licht geamuseerde, of misschien wel wat ironische trek om de dunne lippen.

De beeltenis lijkt snel te zijn neergezet, met brede penseelstreken die de finesses van het gezicht en de textuur van de kleding eerder suggereren dan gedetailleerd weergeven. Effecten van licht en schaduw in het haar en de donkergroene jas zijn met blauw aangezet, en de vlotjes met weinig verfstreken neergezette witte das met strik biedt precies het oplichtende tegenwicht aan het overigens tamelijk sobere coloriet van de voorstelling. In dit verrassend modern aandoende werk lijkt de kunstenaar zich weinig gelegen te laten liggen aan de conventies van de portretschilderkunst waar zijn succes op berustte.

Thomas Gainsborough (1727-1788) staat immers bekend om zijn grote productie van fijn afgewerkte, natuurgetrouwe portretten waarin de Britse adel en een elite van bankiers en industriëlen zich op hun voordeligst lieten uitbeelden. Zo groot was de reputatie die de schilder met dergelijk werk opbouwde in onder meer Londen en de chique badplaats Bath, dat hij in 1780 zelfs opdracht kreeg voor een portret van koning George III. En ook nadat hij voor de betrekking van hofschilder was gepasseerd door zijn rivaal Joshua Reynolds, bleef Gainsborough een favoriet van het koninklijk huis. De expositie die Rijksmuseum Twenthe in Enschede nu aan de schilder wijdt, toont er een paar mooie voorbeelden van: hooggeboren of nouveau riche dames en heren, ten halven lijve of zelfs in de voorname pose ten voeten uit, die zich, gehuld in lange jas en kniebroek of glanzend satijnen jurk met ruches en strikken, met een glimlach tot de beschouwer richten.

Vervloekte gezichtenhandel

De in omvang bescheiden tentoonstelling – de eerste die in Nederland aan de kunstenaar wordt gewijd – beoogt niet een volledig of zelfs maar enigszins representatief overzicht te geven van Gainsboroughs oeuvre. Met een dertigtal schilderijen en een even groot aantal tekeningen en aquarellen zijn juist eerder de bedenkingen gevolgd die de kunstenaar zelf had bij zijn werkzaamheden als portretschilder. Die karakteriseerde hij ooit onomwonden als curs’d face business, een ‘vervloekte gezichtenhandel’. En in brieven aan vrienden rapporteert hij stapelgek te worden van het schilderen van de koppen ‘van de ene idioot na de andere’. ‘Maar al te graag’, schrijft hij, ‘zou ik met mijn viola da gamba de wijk nemen naar een of ander lieftallig dorpje om rustig en op mijn gemak landschappen te schilderen en van het staartje van mijn leven te genieten.’

De wat ouwelijke toon niettegenstaande, schreef Gainsborough dit laatste toen hij pas een jaar of veertig was. Maar ook al eerder had hij, kennelijk ook toen vooral voor zijn eigen plezier, landschappen gemaakt in de trant van bewonderde zeventiende-eeuwse Hollandse schilders als Jacob van Ruysdael en Meindert Hobbema. Een mooi voorbeeld daarvan is een doek van nog geen 30 centimeter hoog uit circa 1745, dat enkele jaren geleden in bezit kwam van Rijksmuseum Twenthe. Het stelt een boomlandschap voor met een schaapherder op een zonnig pad, een tafereel zoals dat er ongeveer zal hebben uitgezien in het Suffolk van Gainsboroughs jeugd.

Maar al te graag zou ik de wijk nemen naar een of ander lieftallig dorpje

Ook in latere landschappen die hij op groter formaat maakte, lijkt het nostalgische aspect van de vrije natuur die in het Engeland van de beginnende industriële revolutie in rap tempo verkleinde, een rol te spelen. De onderwerpen en de losse uitvoering van Gainsboroughs geschilderde landschappen weerspiegelen een persoonlijke voorkeur en een heel eigen stijl, waarmee ze loskomen van de traditie van zorgvuldig samengestelde landschappen van de Hollandse meesters, of de streng georganiseerde composities in die van Franse specialisten als Claude Lorrain of Gaspard Dughet.

Precies dat subjectieve sentiment in Gainsboroughs kunst vormt het thema van de expositie. De kunstenaar zou bij uitstek de vertolker zijn van het sociale ideaal van de sensibility van de achttiende-eeuwse gentleman, die zich kwetsbaar opstelt en zorgzaamheid voor de wereld om hem heen paart aan liefde voor de natuur. Thomas Gainsborough wordt daarmee gepresenteerd als het prototype van een ‘modern’ kunstenaar die, vanuit een nieuwe kijk op het kunstenaarschap, zijn eigen regels bepaalt en, in elk geval in sommige van zijn werken, persoonlijke gevoelens tot uitdrukking brengt.

Musici en acteurs

Paradoxaal genoeg blijkt Gainsboroughs talent voor het schilderen van portretten daar ook bij aan te sluiten. Ondanks zijn kennelijke afkeer van het genre, valt in de expositie toch het grote aantal portretten op. De keuze is veelzeggend; de schilder die verklaarde het liefst de natuur in te trekken, had een duidelijk zwak voor de wereld van musici en acteurs. In een zaal die is opgeluisterd met achttiende-eeuwse muziekinstrumenten en kostuums, hangen prachtige portretten van onder meer componist Johann Christian Bach (‘zoon van’) en acteur en toneelschrijver David Garrick. Met beiden was de kunstenaar persoonlijk bevriend en de beeltenissen van de gemoedelijk poserende mannen lijken iets van die sympathie te verraden. Blikvanger in deze categorie is het levensgrote portret van componist en hoboïst Johann Christian Fischer (circa 1780). Ontspannen met de benen gekruist leunt de musicus tegen een tafel met de ganzenveer in de aanslag, zo te zien ietwat dromerig te wachten op een bruikbare inval.

Deze Fischer was, zij het kortstondig, een schoonzoon van Gainsborough. De familiesfeer leidde vaker tot bijzondere resultaten, zoals het ontroerende dubbelportret dat de schilder omstreeks 1758 maakte van zijn twee dochters, die toen zes en tien jaar oud waren. Bevrijd van het keurslijf van de eisen van betalende opdrachtgevers of het kunstpubliek, laat de schilder de gevoelens van genegenheid voor zijn dear daughters de vrije loop. In een intieme close-up poseren de meisjes zonder terughoudendheid waarbij de oudste zorgzaam een pluk haar op het voorhoofd van haar zusje fatsoeneert. Het naturel van de jongedames weerspiegelt Gainsboroughs sensibility misschien nog beter dan zijn opmerkelijke landschappen of het borstelige zelfportret uit zijn laatste jaren.