Column

Samenwerking krijgsmachten mag minder vanzelfsprekend

Met het ceremonieel vertoon dat militairen wel is toevertrouwd, is vorige week donderdag in het Duitse Bergen-Hohne de Nederlandse 43 Gemechaniseerde Brigade officieel opgenomen in de eerste Duitse pantserdivisie.

De samenvoeging betekent een volgende stap in de samenwerking tussen de Duitse en Nederlandse legerkorpsen. In 2014 werd de Nederlandse 11 Luchtmobiele Brigade al geïntegreerd in de Duitse Division Schnelle Kräfte. De ironie van de nieuwste fusie is dat de Nederlandse pantserbrigade dankzij de Duitse partners weer de beschikking krijgt over Leopardtanks. Bij de bezuinigingsronde op Defensie in 2011 waren het juist deze tanks die ‘geslachtofferd’ werden. De tank is via de Duitse U-bocht nu dus weer terug.

Niet de jongste samenwerking is bijzonder. Dat gebeurt tegenwoordig overal en vormt de basis van elk Nederlands militair expeditionair optreden. Maar hier gaat het om integratie. Dat is een principiële stap.

De geruisloosheid in de politiek waarmee de samenvoeging gepaard gaat, is dan ook wel zo opvallend. Zeker, er zijn jaren van voorbereiding aan voorafgegaan en ook in het overleg tussen de Tweede Kamer en de minister van Defensie is de samenwerking tussen Nederland en Duitsland op militair gebied regelmatig aan de orde geweest. Maar dat maakt het samensmelten van legeronderdelen van verschillende landen nog niet vanzelfsprekend.

De weinig alerte houding vanuit de politiek heeft ongetwijfeld te maken met de ‘geruststellende’ afspraak dat operaties van de troepen in de toekomst onder toezicht blijven vallen van de twee landen en de „desbetreffende nationale procedures”. Maar de cruciale vraag is hoeveel speelruimte er nog overblijft voor nationale procedures in tijden van spanning bij volledig geïntegreerde krijgsmachtonderdelen. In meer algemene zin gaat het hierbij om het vraagstuk van de nationale soevereiniteit.

Om die reden vroeg het vorige kabinet in 2011 de Adviesraad Internationale Vraagstukken advies over de gevolgen van internationale defensiesamenwerking en het handhaven van nationale soevereiniteit. In zijn advies erkende de raad dat het opgeven van nationale soevereiniteit bij dit soort samenwerking wel degelijk aan de orde is.

Juist daarom riep het kabinet de Kamer ook op tot een „fundamenteel debat” hierover. Dat debat is nog altijd niet gevoerd.

Ondertussen scheppen – om in militaire termen te blijven – de feiten op de grond hun eigen werkelijkheid. Zie het jongste Duits-Nederlandse initiatief. Het zou andersom moeten zijn.