Column

(Niet) gekwetst

Een van de best verkochte boeken van Nederland is momenteel As in tas van Jelle Brandt Corstius. Een opmerkelijk feit omdat het boek draait om de herinnering van Jelle aan zijn overleden vader Hugo, eerder een gevreesde dan geliefde schrijver, van wie veel van Jelles lezers misschien zelfs nooit iets gelezen hebben.

Jelle schrijft in As in tas meer over zichzelf dan over zijn vader. Toch zou ik het geen autobiografie willen noemen, liever een fietsbiografie omdat hij zijn uitputtende fietstocht naar de Middellandse Zee beschrijft, waar hij de as van zijn vader wil verstrooien.

Zijn vader duikt vooral op in een handvol ijzersterke anekdotes en waarnemingen, die zijn merkwaardige karakter belichten. Mij frappeerde het stukje over de vete tussen de linkse Hugo en de rechtse Theo van Gogh. Hugo toonde zich nooit aangedaan door de af- of ondergang van zijn tegenstanders, maar in het geval van Van Gogh was het anders, schrijft Jelle.

„Toen ik na de moord op Van Gogh bij mijn vader kwam zat hij verslagen op de bank. Het was al bijna donker, maar het licht was uit. Hij staarde wezenloos voor zich uit. Zou het nu pas tot hem doordringen dat je mensen ook kunt kwetsen met woorden? Dat het voor de meeste mensen, eigenlijk voor iedereen behalve voor mijn vader en Van Gogh, geen sport was om anderen te beledigen? Zelf kon mijn vader niet gekwetst worden, daar ben ik van overtuigd. Voor hem waren woorden niet echt; geen wonder dat hij er zo graag mee speelde.”

Misschien hadden deze twee aartsvijanden dat inderdaad met elkaar gemeen: het onvermogen (of, zo kun je het ook bekijken, de kracht) om niet gekwetst te kunnen worden. Jelle suggereert in deze passage dat zijn vader na de moord een zekere spijt voelde over wat hij over Van Gogh had geschreven. Ik denk eerder aan een besef van betrekkelijkheid: hoe verschrompelen al die conflicten niet in de schaduw van de dood?

In het geval van een andere vijand, Renate Rubinstein, leek Hugo ook tot enige inkeer te komen, begreep ik uit een verhaal dat Coen Verbraak in 2005 voor Vrij Nederland over haar schreef. Renate en Hugo hadden in 1963 een relatie met elkaar gehad, volgens Renate beëindigd door haar. Hugo kon zich dat niet herinneren, schreef hij in 1985, wel dat zij nog jaren daarna amicaal met elkaar waren omgegaan.

„Ik weet heel precies de avond dat zij haat tegen mij opvatte. Dat was de avond dat wij allebei voor het eerst Weinreb zagen. We gingen samen naar een lezing van hem over getallensymboliek in de Bijbel, en ik vertrouwde hem voor geen cent. En ik had nog de durf dat te zeggen ook. Zo werd ik, net als Gomperts, Herzberg, Kousbroek, in de ban gedaan.”

Het liep uit op jaren van wederzijdse verkettering in Vrij Nederland, waarvoor beiden columnist waren.

Twintig jaar later geeft Hugo tegenover Verbraak toe dat het verkeerd is geweest: „Het ging natúúrlijk veel te ver. Maar we reageerden op elkaar. […] Ik heb het lange tijd als een spel opgevat, dat uiteindelijk scherpe randen kreeg.”

Op het hoogtepunt van hun ruzie was hij tijdens een bijeenkomst nog eens gearmd met haar om Artis gelopen. „En waarom ook niet? Ik meen lang niet alles wat ik schrijf. En ik vermoed dat dat ook voor Renate gold.”

Dat laatste weet ik niet, wél dat Renate zich lang verbitterd heeft getoond over zijn beledigingen.