In Zwolle let Klaas op de boetes

Hoe pakt de nieuwe uitkeringswet in de praktijk uit? NRC gaat naar de sociale dienst. Vandaag: Zwolle.

Klaas Brand doet de ‘moeilijke’ klanten bij de sociale dienst. Hij houdt niet van boetes uitdelen, maar soms moet het.

Illustratie Anne van Wieren

Bij de sociale dienst in Zwolle zal niemand zeggen dat inkomensconsulent Klaas Brand een softie is voor bijstandsgerechtigden. Hij was het die een paar jaar geleden had berekend dat de bijstand voor daklozen aan de ruime kant was. Zij hebben geen woonlasten en krijgen geen volledige uitkering, maar wel 60 procent daarvan. Als ze een beetje voorzichtig waren met hun uitgaven, hielden ze volgens Klaas Brand genoeg over om twaalf halve liters bier per dag te kopen.

En dus kreeg hij aan zijn balie mensen die eerder in Zeeland of Noord-Brabant dakloos waren geweest, maar hun uitkering veel liever kregen in Zwolle. De gemeente besliste daarna dat daklozen nog maar 50 procent krijgen.

Maar mensen met bijstand 150 euro laten betalen omdat ze per ongeluk iets verkeerd invullen over extra inkomen of een vakantie? Of omdat ze het maandelijkse formulier daarover vergeten op te sturen? Van die boetes uit de Participatiewet moet Klaas Brand weinig hebben. Het gemeentebestuur van Zwolle ook niet. Dat heeft de boetes gehalveerd. Maar ook dan: 75 euro komt harder aan dan de bijna 50 euro die bijstandsgerechtigden vóór de Participatiewet als ‘maatregel’ kregen opgelegd als ze een fout maakten in hun formulier.

Klaas Brand is bijna twee meter lang, hij is dun en kaal. Een vriendelijke man met een zachte stem. Bij de sociale dienst doet hij bijna altijd de ‘moeilijke’ cliënten: bijstandsgerechtigden die agressief kunnen zijn – soms door een psychische aandoening of trauma – en de verslaafden, daklozen, ex-gedetineerden. Brand stelt vast hoe hoog hun uitkering zou moeten zijn en of ze recht hebben op een lening voor extra kosten.

Er zijn bijstandsgerechtigden, zegt Brand, die sneller aan het werk gaan als ze strenger worden behandeld. „Maar we konden eerder ook van alles doen om mensen zo ver te krijgen en dat déden we ook al.”

Als er nu een boete dreigt, gaat Brand na waarom een fout is gemaakt. Was de straat opgebroken en kon de postbode niet bij de voordeur komen om het formulier te bezorgen? Was een cliënt net in die periode in de war? „Ik heb de vrijheid om dat te beoordelen. Als er iets is waardoor ze er niets aan konden doen, geef ik hun ontheffing.”

Brand gaat ook wel eens bij bijstandsgerechtigden thuis kijken of ze echt een lening nodig hebben voor kozijnen of vloerbedekking. Als hij ziet dat het oude tapijt bobbelt, is hij coulanter voor iemand die slecht kan lopen dan voor anderen. Hij vindt: je hoeft mensen niet te straffen voor iets waar ze niks aan kunnen doen, je hoeft het ze ook niet al te makkelijk te maken. Zelf noemt hij dat tough love.

Dronken de daklozen minder bier nadat ze een lagere uitkering hadden gekregen? „Nee”, zegt Brand. Dan gingen ze dus stelen? „Of bijklussen in de opvang en dat helpt bij hun mogelijke reïntegratie.”

Geld voor goede doelen

Door de Participatiewet hebben daklozen nu minder kans dat ze bij familie of vrienden kunnen wonen. Als die zelf ook bijstand hebben, verliezen zij een deel van hun uitkering als ze met andere volwassenen in een huis wonen. „Maar er zijn nog steeds mensen die het doen”, zegt Brand. Wie zelf weinig heeft, ziet hij, is niet minder bereid om dat met anderen te delen. „Ik zie alle bankafschriften en ik denk dat zo’n 80 procent van mijn cliënten geld geeft aan goede doelen. Vooral de Dierenbescherming is populair, maar ook de KWF Kankerbestrijding.”

Op een maandagochtend heeft Brand een intakegesprek met een man van 22 jaar, geboren in de Dominicaanse Republiek. Hij heeft een kamer in een begeleidwonenproject van een hulporganisatie. Zijn begeleidster is meegekomen.

„Ik heb al gezien dat je recht hebt op een uitkering”, zegt Brand. „Maar ik moet je nog wat vragen voor mijn collega van de afdeling werk. Hoe is het met je gezondheid? Kun je werken?”

De man glimlacht verlegen: „Eerlijk gezegd, nee. Ik denk zoveel aan wat er allemaal is gebeurd.”

Brand vraagt niet wat er is gebeurd. Dat is niet zíjn taak. „Wat doe je overdag?”

„Honkbal spelen”, zegt de man. „Ik speelde topklasse, maar niet meer sinds ik een kind heb.”

Brand: „Op welke positie speel je?” De man: „Eerst was ik pitcher, nu verrevelder.”

„Dat is beter voor je armen”, zegt Brand. De man kijkt op, lacht. „Eindelijk iemand die…” Dan stopt hij.

De uitkering krijgt hij met terugwerkende kracht, hij had er recht op sinds december. Brand geeft hem drie formulieren waarop de man moet invullen of hij de afgelopen maanden eigen inkomsten heeft gehad. „Als ik die papieren op de bus doe voor mijn cliënten”, zegt de begeleidster, „komen ze zó vaak niet aan.” En dan krijg je dus die boete. Brand knikt.

„Ik heb nog een rare vraag”, zegt de man. „Wanneer krijg ik het geld?” Overmorgen, zegt Brand. De man kijkt opgelucht. „Mijn zoon wordt vijf. Ik ga een step voor hem kopen.”