Een onvergetelijke Matthäus

I Am Oak heeft weer een mooi album gemaakt, maar een kleine eenvormigheid valt wel te bespeuren na al die jaren. Over al die jaren gesproken, bij Bach’s Matthäus is het genieten, als-ie wordt gedirigeerd door John Eliot Gardiner.

Met een verstild woord vooraf droeg dirigent John Eliot Gardiner zijn uitvoering van Bachs Matthäus Passion dinsdagavond op aan de slachtoffers van de terreuraanslagen in Brussel, alwaar het concert vanavond na eerdere berichten over annulering toch gewoon wordt herhaald. Dat, als ook nadrukkelijk aanwezige politie voor het Concertgebouw gisteravond, droeg bij aan de intensiteit van een onvergetelijke uitvoering: uniek in retorische kracht, afwerkingniveau én ideeënrijkdom.

Gardiner, die eerder dit jaar de Concertgebouwprijs won, staat met zijn koor en orkest garant voor raffinement en perfectionisme. Maar deze Matthäus bood meer. Zeker: vanaf het openingskoor was er de loepzuivere, messcherpe klank van het uit jonge zangers samengestelde Monteverdi Choir, dat je bij de handeling sleurde met ‘wohin?’-terzijdes die volmaakt wolkig opveerden. Meteen ook was er het dynamisch raffinement – soms letterlijk per woord bijkleurend - dat bij het Concertgebouworkest zo node werd gemist dit jaar. Gardiner weet: een goede Bach is ‘Musik als Klangrede’ - om Harnoncourt aan te halen.

Gardiners Matthäus had verscheidene troeven. Koor, solisten – iedereen zong uit het hoofd, wat de dramatische vertelkracht drastisch aanscherpte. Solisten – veertien in getal exclusief Christus en evangelist - kwamen allen uit de geledingen van het koor en werden in het programma niet nader toegeschreven aan de aria’s die ze zongen. Die dienende aanpak (Soli Deo Gloria) droeg bij aan de suggestie van authenticiteit én verduidelijkte de diamanten koorkwaliteit: alle 28 zangers bezitten echt solistische kwaliteit.

Het opsommen van hoogtepunten? Onbegonnen werk. Vermeld moet evangelist Mark Padmore, wiens uitdrukkingsvolle tenor zodanig in bloei staat dat al zijn aandacht uit kon gaan naar pure vertelkracht. Evenzeer vrij en theatraal waren de optredens van Pilatus, Judas, Petrus. Opmerkelijk ook: in het da capo van de aria’s werd vrij gevarieerd. De koralen: soms gedecideerd als orthodoxe gemeentezang, soms maximaal gestileerd, zoals in het zoemfluisterende Wenn ich einmal.

Maar het meeste vervoering bracht het retorisch raffinement overall. Tekst die je woord voor woord verstond, en die daardoor echt binnenkwam. Er volgde een ontremde, bij passies zelden gehoorde bulderovatie. Het tegendeel van verstild. Maar wel zeer innig en terecht.

    • Mischa Spel