Column

‘De eerste bom-aanslag’

Vandaag is het Witte Donderdag, de dag waarop in de christelijke traditie het Laatste Avondmaal wordt herdacht. Eigenlijk had ik willen schrijven over een opmerkelijke discrepantie tussen de manier waarop deze paasmaaltijd wordt beschreven en in de klassieke kunst wordt afgebeeld. In de evangelies staat namelijk nadrukkelijk dat Jezus en zijn discipelen tijdens deze maaltijd aanliggen, zoals we dat van de Romeinen kennen, maar op oude schilderijen worden ze altijd zittend afgebeeld. Op deze Witte Donderdag had ik dit nader willen onderzoeken.

Maar er kwam een pikzwarte dag tussen: de aanslagen dinsdag in Brussel. Daardoor drong de vraag zich op sinds wanneer wij het woord bomaanslag kennen.

Bij mijn weten sinds 1882. Nederlandse kranten schreven toen over bomaanslagen door zogenoemde nihilisten in Rusland. En in de jaren daarna over bomaanslagen in Italië en Spanje. Zo schreef een krant in 1889: „Te Madrid zijn weer twee bom-aanslagen gepleegd.”

Op 20 maart 1894 blikte De Telegraaf, onder de kop ‘De eerste bom-aanslag’, terug op een aanslag die in 1858 was gepleegd op keizer Napoleon III. De hoofddader was een jonge Italiaanse revolutionair, Felice Orsini (1819-1858), die handelde uit wraak voor Napoleons optreden tijdens de Italiaanse vrijheidsstrijd, tien jaar eerder.

Hoe ging die „eerste bom-aanslag” in z’n werk? Op 14 januari 1858, toen keizer Lodewijk Napoleon en zijn vrouw op weg waren naar de opera in Parijs, gooiden Orsini en zijn handlangers drie bommen naar het keizerlijke rijtuig. De eerste bom belandde tussen de ruiters voor het rijtuig; de tweede verwondde de paarden en verbrijzelde het glas van het rijtuig. De derde bom kwam onder het rijtuig terecht en verwondde een politieagent die was komen aangesneld om de inzittenden te beschermen. In totaal werden er acht mensen gedood en waren er 142 gewonden. De keizer en keizerin bleven ongedeerd – Napoleon had slechts een snee op zijn neus.

Aanvankelijk meenden Nederlandse kranten dat er „drie schoten” waren gelost. Op 16 januari 1858, twee dagen na de aanslag, schreef de Nieuwe Rotterdamsche Courant: „Door middel eener helsche machine is een moordaanslag gepleegd op den keizer en de keizerin.” Het Nieuw Amsterdamsch Handels- en effectenblad had het diezelfde dag over „eene soort van machine infernale’’ die plotseling was afgegaan.

Al snel werd echter duidelijk dat er niet een of andere machine tot ontploffing was gebracht, maar dat er bommen naar de keizer en keizerin waren geworpen. Om die reden werd Orsini in 1894 „de eerste bommenwerper” genoemd. In feite bestond het woord bommenwerper al langer; voordien werd het tevens gebruikt als synoniem voor bombardier of kanonnier, dus voor iemand die een kanon bediende.

De Belgische koning noemde de aanslag van gisteren „laf en verwerpelijk”. Dat zijn kwalificaties die je in berichten over bomaanslagen veel vaker tegenkomt. Bomaanslagen wekken woede. Omdat Orsini’s bommen in Engeland waren gemaakt, leidde die „eerste bom-aanslag” in Frankrijk tijdelijk tot felle anti-Britse sentimenten. Voor Lodewijk Napoleon pakte de aanslag niet slecht uit: zijn populariteit nam er door toe.