Betonkolos vol moderne kunst

Met het Met Breuer heeft New York er een nieuw museum voor moderne kunst bij. Wat staat de bezoeker er te wachten?

Het bekt zo lekker dat het lijkt alsof het er al tientallen jaren staat: het Met Breuer. In zekere zin is dat natuurlijk ook zo, ook al is deze jongste expansie van het Metropolitan Museum (‘the Met’) nauwelijks een week open. Van 1966 tot 2014 was het door Marcel Breuer ontworpen gebouw immers het thuis van het Whitney Museum (dat net verhuisd is naar Downtown Manhattan), dat de betonnen kolos gebruikte om er hedendaagse Amerikaanse kunst te tonen. The Met gaat er nu zijn moderne collectie huizen, evenals ‘exposities die buiten de curatele focus vallen’.

Het idee om het nieuwe museum naar zijn architect te vernoemen, kwam van Sheena Wagstaff, de hoofdcurator voor hedendaagse kunst bij the Met. Zo wilde ze onderstrepen dat the Met niet zomaar wat extra ruimte wilde aanschaffen, maar dat het ook viel voor de architectuur van een van New Yorks meest aansprekende na-oorlogse gebouwen. Hoezeer dat resoneert bij kunstminnende New Yorkers blijkt uit het feit dat het museum nu al simpelweg ‘the Breuer’ wordt genoemd.

Niet dat het gebouw bij oplevering in 1966 meteen bij iedereen geliefd was, zoals ook tegenwoordig nog genoeg mensen moeite hebben om de uit beton, baksteen en sporadische houtelementen opgetrokken blokkendoos in de armen te sluiten. Maar wat het gebouw mist aan knuffelgehalte, maakt het goed in functionaliteit en van franje ontdane grandeur. Wagstaff zag onmiddellijk dat de over vier verdiepingen verdeelde galeries zich lenen om een veel breder scala aan kunst te tonen dan het Whitney deed, zo vertelt ze tijdens een persdag in de week voorafgaand aan de officiële opening.

Daartoe moest het wel eerst gerestaureerd worden. Het architectenbureau Beyer Blinder Belle werd ingehuurd om het gebouw zoveel mogelijk in zijn originele staat terug te brengen. Architect Jack Beyer, ook aanwezig tijdens de perspresentatie, vertelt wat daarbij het motto was: „Slijtage is goed, schade is slecht.” Het verklaart waarom de blauwe tegelvloer in Breuers lobby ook na de restauraties nog ietwat sjofel oogt. Het doel was immers niet om te verhullen dat het gebouw al een halve eeuw in gebruik is, maar om de door de jaren heen doorgevoerde veranderingen en verbouwingen teniet te doen – opdat de oorspronkelijke ideeën en bedoelingen van Breuer opnieuw zichtbaar worden. Zo is de machinegestuurde garderobe niet meer aan het bezoekersoog onttrokken, Breuer was immers bezeten van technologie en mechanische snufjes, en zijn de wanden in de expositieruimtes met een crèmekleurige structuurverf behandeld – voor wat Breuer een ‘aards’ gevoel noemde.

Onafgemaakte werken

De museumbezoeker die nu de gigantische liftdeuren op de derde verdieping uitwandelt, weet meteen dat hij zich niet in het oude Whitney bevindt, mocht daarover al enige twijfel bestaan – en dat heeft niet eens zoveel met de restauraties te maken. De wanden zijn er namelijk geheel behangen met schilderijen uit de Renaissance van Italiaanse meesters als Jacopo Bassano en Titiaan. Ze markeren het begin van de (hoofd)openingsexpositie, Unfinished: thoughts left visible, waarin onafgemaakte werken van de Renaissance tot nu onderzocht worden.

Het is alsof Wagstaff en haar curatoren willen zeggen: Breuers strenge, modernistische architectuur is wel degelijk geschikt om ook oudere kunst in te tonen. De iconische werken van onder meer Titiaan, Poussin en Turner zijn volkomen op hun plek op de derde verdieping, terwijl recenter werk, waaronder een prachtige reeks schilderijen van Cy Twombly, floreren op de vierde verdieping, waar de plafonds nog hoger zijn en de expositieruimte groter is. Voor het trapeziumvormige raam dat over Madison Avenue uitkijkt, staat een kleine installatie van beeldhouwwerken, die de grote ruimte als het ware opent. Je voelt als bezoeker niet alleen dat de curatoren kunst en architectuur begrijpen, maar ook dat ze van beide evenveel houden.

Een tweede, kleinere openingsexpositie is een retrospectief van de Indiase modernistische kunstenares Nasreen Mohamedi (1933-1990), met ruim 130 tekeningen, schilderijen en foto’s. Veel van Mohamedi’s werk bevat architectonische elementen, waarmee opnieuw de relatie tussen kunst en architectuur wordt uitgelicht.

„Wat voor ons zo spannend is”, zegt Andrea Bayer, een van de aanwezige curatoren, „is om te zien hoe anders onze schilderijen er in deze omgeving uitzien dan in the Met.” Als voorbeeld noemt ze de schilderijen uit de Renaissance, die volgens haar „op mannelijke wijze tegenstand bieden aan Breuers rechte vormen en kale materialen”. Ook opwindend volgens Bayer: hoe de hedendaagse beeldhouwwerken in de expositie „een rechte lijn trekken naar Michelangelo”.

Dat laatste is natuurlijke een unieke kracht van the Met, met zijn oneindige collectie oude kunst, benadrukt Wagstaff op enig moment: „We kunnen nieuw werk als geen ander in historisch perspectief en geografische context plaatsen.”

Je zou ook kunnen zeggen: het Met Breuer doet meer dan het etaleren van de hipste moderne kunst van het moment in een chique omgeving.

Zo lijkt het alsof het Met Breuer zich bewust aan de worsteling waagt die de dynamische stad New York sinds jaar en dag aangaat: hoe blijf je trouw aan de geschiedenis terwijl zoveel transformerende krachten druk op je uitoefenen? Voor New York zijn die krachten gentrificatie en vastgoedinvesteerders. The Met, in feite een encyclopedisch museum, voelt de druk van een krankzinnig competitieve markt voor hedendaagse kunst. Steeds is globalisering de grote aanjager. Ook Wagstaff voelt die druk, antwoordt ze desgevraagd, maar voegt daaraan toe dat het simpel is die te weerstaan: „Je moet steeds alles met een fris gemoed opnieuw evalueren. De beste manier om dat te doen is door heel, heel veel beelden aan de muur te hangen en daar gewoon naar te blijven kijken.”