Bange kinderen zijn we, maar wij zijn niet verloren

Jong en verwrongen. Anish Kapoors ‘Mountain’. ‘In mijn hoofd ben ik een dun meisje’ van NTJong.

Foto Wim de Boer/Beelden aan Zee

Licht in mijn hoofd word ik, en dat komt door Mountain van Anish Kapoor. Deze Britse fata-morgana-bouwer trok een berg op uit honderden laagjes golvend aluminium. Twee en een halve meter hoog, vijf meter lang. Hij staat in Scheveningen, waar museum Beelden aan Zee hem tijdelijk mag laten zien. Kapoors berg raakte me toen ik hem bekeek. En nu ik aan hem terugdenk, raakt hij me opnieuw. Want inmiddels is alles anders, zoals iedereen weet. IS-terroristen richtten in Brussel een tweevoudige ravage aan. Lieten kreunende zwaargewonden achter. Waren uit op zoveel mogelijk dode lichamen. Terroristen zijn altijd zo jong. En dan niets om het leven geven, alleen de dood tellen – woede is op zijn plaats, maar ik kom niet verder dan verdriet.

Kapoor is een magiër. Zijn berg is onverzettelijk en triomfantelijk mooi. Hij is alles wat extremisten niet aankunnen. De droefenis wordt er niet minder van, maar het gevoel van machteloosheid wel. Als Kapoor dit kan, kan alles.

Ik beklim een houten trap, die staat er om ín Mountain te kijken. Van bovenaf zie ik geen berg meer, nu is Mountain een enorme wapperende rok. Ik denk aan Luceberts „broodkruimel […] op de rok van het universum”. Voel me nietig, maar deel van een geheel.

Bange kinderen zijn wij. Maar we zijn niet verloren. Want we hebben Mountain en haar rokken. Wij mogen aan mama’s rokken hangen. Laten we ons niet generen en beschutting zoeken. De kunsten moeten ons behoeden, er zit niet veel anders op.

Och Lucebert, wie leest hem nog? Zijn bozige gedichten zijn op hun lekkerst als je 16 bent, maar dat weet geen puber meer.

Jongeren hebben iets anders aan hun hoofd en de poëzie kan ze niet meer helpen. Ik besef het dankzij het toneelstuk In mijn hoofd ben ik een dun meisje, over wat de wereld jonge meisjes aandoet en die meisjes zichzelf. Het wordt hilarisch gespeeld en het is angstaanjagend relevant. Het drijft op zelfhaat en strikte maar onhaalbare schoonheidsidealen. Een boulimiameisje gooit een vracht spekkies in de blender, drinkt en kotst de boel geroutineerd weer uit. Een jongensmeisje propt een sok in haar shorts. Linksdragend? Rechts? Midden? Een Antilliaanse schminkt zichzelf blank. En steeds die dubbele moraal, die van meisjes verlangt dat ze zowel sexy zijn als een soort aseksuele kleuters.

Ik bel Noël Fischer op, auteur en regisseur van het stuk. Zij vertelt dat alles in dit stuk is gebaseerd op authentieke verhalen en internetfilmpjes. Ik zeg dat ik vind dat iedereen dit moet zien, wat ze leuk vindt, maar ze maakte het stuk uitdrukkelijk voor de schooljeugd: „Meisjes worden veel te weinig kritisch opgevoed, op die scholen.”

Vroeger leden meisjes onder Twiggy, zeg ik. Ja, beaamt ze, maar dat was zonder de sociale media, zonder Facebook en Instagram. Meisjes zitten nu vaak in „een fake-werkelijkheid, met hun iPhone als spiegel en hun volgers en likes als bewijs van goed gedrag”.

Wat ben ik blij dat ik in de vorige eeuw jong was. Mijn rolmodel was Janis Joplin, ze was al dood maar verder was dat goed te doen: nooit naar de kapper en tinkelende sieraden om al mijn uiteinden. Oh Lord, won’t you buy me a night on the town?