‘We zijn onze eigen kleine niche’

George Clarke (27) is frontman van de meest geliefde én meest gehate metalband van het moment, Deafheaven. Dit weekend staan ze op Paaspop.

Deafheaven, met in het midden George Clarke. Foto Kristen Cofer

De heavymetalwereld bleek ineens te klein, toen in de zomer van 2013 het tweede album van de Californische band Deafheaven uitkwam. Het was een album vol overstuurde gitaarriffs, giftige krijszang en razendsnelle drums, maar dat was toch niet goed genoeg voor de vele puristen die het genre telt. Die wisten niet hoe snel ze Deafheaven af moesten doen als niet metal, niet echt genoeg.

Ten eerste had de plaat de lieflijke naam Sunbather en kwam die verpakt in een felroze hoes. Alsof dat niet blasfemisch genoeg was, bleek de metal van Deafheaven eerder opbeurend dan duister, en versneden met lange, meeslepende passages van ingetogen indierock. En dan gaan de bandleden ook nog eens gekleed als typische hipsters, met skinnyjeans en moeilijke brillen. Allemaal een goedkoop trucje om de massamedia te halen, zou het zijn. Een hype, hipstermetal.

Gelukkig trok de band zich er niets van aan. New Bermuda, dat vorig jaar uitkwam, heeft ongeveer hetzelfde recept, zij het zelfverzekerder en met betere composities. Volwassener, dus. Ook die plaat kreeg zeer lovende recensies in kwaliteitskranten en op belangrijke muzieksites. Het leverde wereldtours en boekingen op grote festivals op als Pitchfork Music Festival, Pukkelpop, Roskilde, en aankomend weekend op Paaspop. Succes buiten de heavymetalwereld dus, en dat met nogal extreme muziek. Waarom werkt dat traditionalisten en puristen zo massaal op de zenuwen?

Frontman George Clarke zit, vlak voor hun concert in Paradiso in Amsterdam enkele weken terug, met z’n benen over elkaar en probeert na een slok bier beleefd een boer binnen te houden. „Whoops, sorry.” Hij weet het ook allemaal niet, verklaart hij op de verveelde manier van iemand die zich telkens opnieuw moet verdedigen tegen een onredelijke oppositie. „Ik vind die haat zo verwarrend. De liefde die we krijgen trouwens ook hoor. Ik blijf telkens maar herhalen: wij staan nergens voor. Het is ons er niet om te doen om black metal te verpesten of zo. We houden gewoon van deze muziek en daarom maken we het. Meer is het niet. Ik bedoel, er zijn een miljoen bands waar je naar kunt luisteren. Luister daar dan naar.”

Vermoeiende discussie

Als je in Google intikt ‘Is Deafheaven…’ maakt Google het af met ‘black metal?’. „Dat snap ik wel”, lacht Clarke. „Ik zou zeggen: nee. Ik hou heel erg van blackmetalbands, en die klinken niet zoals wij klinken. Weet je, er zit ook zo’n gewicht achter die term. Het gedoe over wat echt is, wat nep is, het is een vermoeiende discussie die nooit stopt. Als een hond die z’n eigen staart probeert te pakken. Het is allemaal gebaseerd op meningen, dus wat maakt het uit?”

Deafheaven heeft dat soort stijfkoppen ook helemaal niet nodig. Waar het bij de meeste metalshows volstaat met leren jassen, lang haar en met patches volgenaaide spijkervesten, ontbreken die bij Deafheaven in Paradiso grotendeels. De zaal stond vol frisgekapte jongens en opvallend veel meiden. Deafheaven wil helemaal niet af van die leren jassen, maar brengt metal wel naar een breder publiek.

‘Er zit veel woede en angst in onze muziek, dat moet eruit’

In slechts drie albums groeiden de bandleden uit van onzekere pubers tot ambitieuze metalvernieuwers. Debuutplaat Roads to Judah (2011) was springerig en fris, doorbraakplaat Sunbather (2013) juist dromerig en lichtzinnig, het laatste album New Bermuda (2015) fel en zelfverzekerd. „Zie het als een drieluik, en een autobiografie”, zegt Clarke. „We begonnen gewoon heel jong en wisten niet welke kant we op moesten met ons leven. Daarna is er die gekke middenweg waarin we dromen en meer uit het leven willen halen. En daarna, op New Bermuda, hebben we het voor elkaar, maar is het allemaal niet wat we ervan verwacht hadden. Dat album gaat eigenlijk vooral over de depressie waar ik doorheen ging, en over je plek vinden.”

Een coming-of-age album dus, waarop Clarke, 27, in zijn teksten worstelt met de gebruikelijke problemen die horen bij volwassen worden. „Ik zat gewoon niet lekker in mijn vel de afgelopen tijd. Nu lukt het wel, maar toen ik verhuisde van San Francisco naar Los Angeles veranderde er veel in mijn leven. De band werd groter en het werd ineens een echte baan waarbij we niet alleen maar konden feesten, maar ons professioneel en verantwoordelijk moesten gaan gedragen. We waren zo vaak en lang van huis dat elke keer dat we terugkwamen alles anders was, met vrienden, met m’n relatie… het voelde gewoon gek. Daar gaat New Bermuda over.”

Ook dat is weer niet erg ‘des metals’, zulke persoonlijke en kwetsbare teksten. Maar Deafheaven is het gewend om de vreemde eend in de bijt te zijn. Op hun nieuwe platenlabel, Anti, zitten ze tussen Mavis Staples, Wilco en Tom Waits. Op festivals spelen ze vaak tussen pop- en hiphopacts. „We zijn ofwel, ik citeer, het ‘minst metal’ op een metalfestival, of we zijn het meest extreme ding op een popfestival. Dat bevalt me wel hoor, de vreemde eend zijn. We zijn onze eigen kleine niche.”

Madonna

Als Clarke in gesprek raakt over zijn invloeden, komt die breedte van de muziek die hem omringt terug in zijn smaak. „Ik luister de laatste tijd heel erg veel Primal Scream, maar ook wel veel metal hoor. Ik zet de nieuwe van Pissgrave vaak aan, zo’n goed album. En die van Yellow Eyes. Maar ik luister ook veel Madonna de laatste tijd, gek genoeg. Dat vroege werk van haar, van halverwege de jaren negentig, dat vind ik echt heel erg goed.”

Naar de invloed van Madonna is het op New Bermuda wel wat ver zoeken, maar andere invloeden waar Clarke met medebandoprichter Kerry McCoy tijdens het schrijven naar luisterden zijn duidelijk: klassieke metalalbums, van Slayer, Metallica en Sepultura. Vooral de gitaarsolo in Baby Blue lijkt er eentje van Metallica-gitarist Kirk Hammett. „Ja, haha, die is heel erg Hammetty. Maar we hadden tijdens het schrijven ook veel Oasis, Low en Red House Painters aanstaan. Als je dat weet, hoor je het volgens mij best wel makkelijk op het album. We verstoppen onze invloeden nooit zo goed.”

In Paradiso speelt de band het gehele album aaneen, met twee nummers van Sunbather als toegift. Deafheaven speelt uiterst precies en zeer intens, elke noot moet gehoord worden en elk woord moet de achterste muur van de zaal halen. Clarke, als een duistere dirigent in het midden van zijn band, krijst vanuit zijn tenen. Als een sjamaan steekt hij soms zijn microfoonstandaard in de lucht, dan weer kruipt hij ineen om de laatste woorden van een couplet knielend uit te spugen op het podium. Het moet ook zo intens, vindt Clarke. „Deze muziek vangt de emotie het beste, denk ik. Er zit veel woede en angst in, en dat moet eruit. Om echt kracht te hebben moet het ook kwetsbaar en persoonlijk zijn.”

Dat Deafheaven verschillende doelgroepen bedient – de mainstream luisteraar die iets harders wil, de metalluisteraar die iets moderners wil – kan een teken zijn dat de band nog een stuk kan groeien. Staat de band straks in stadions en arena’s? „Laat ik het zo zeggen: áls wij ooit de kans krijgen om zo’n stadionband te worden, dan zou ik dat zeker toejuichen. Maar het is echt moeilijk om dat niveau te halen. Je moet opzwepende, epische nummers schrijven, met een hoop ‘Hey! Hey!’s’ in de muziek. Een band als Ghost doet dat al, en ik denk dat een band als Baroness zeker een stadionband zou kunnen zijn. Ik weet niet of wij dat nou in ons hebben.”

Misschien dat een nog groter publiek toehapt als de muziek nog iets toegankelijker zou zijn? „Ja, maar we zijn niet bereid daar aan toe te geven. Absoluut niet. Het zal dat grotere publiek moeten zijn dat behoefte krijgt aan ons.”