Waarom zijn terroristen vaak broers?

Uit onderzoek blijkt dat terroristen vaak familie of vrienden van elkaar zijn. De reden is eenvoudig: radicaliseren doe je samen.

Foto van Interpol, met de broers Khalid (links) en Ibrahim el Bakraoui. FOTO AFP

De twee mannen die zich in Brussel hebben opgeblazen, Ibrahim en Khalid el Bakraoui, waren broers. Dat is vaker het geval bij terroristen. De broers Salah en Brahim Abdeslam waren beiden betrokken bij de aanslagen in Parijs van afgelopen november. En twee Tsjetsjeense broers pleegden in 2013 bij de marathon van Boston een aanslag met een snelkookpanbom.

Toeval? Nee, zegt de Leidse terrorismeonderzoeker Bart Schuurman. Uit onderzoek blijkt dat terroristen vaak familie of vrienden van elkaar zijn. De reden is eenvoudig: radicaliseren doe je samen.

Vaak komt iemand via een familielid of oude schoolvriend terecht in een radicaal netwerk. „Je raakt betrokken via bestaande connecties, doordat iemand je bijvoorbeeld uitnodigt voor een lezing”, zegt Schuurman. Zo ging het bijvoorbeeld met de broertjes Jermaine en Jason W. van de Hofstadgroep, die Schuurman langdurig onderzocht. Het lid zijn van een radicale groep biedt veel voordelen, zegt hij. „Je hebt medestanders met wie je dingen meemaakt, er is onderlinge solidariteit.” Vanuit de dynamiek die in zo’n groep ontstaat, kunnen jongeren elkaar ophitsen tot geweld. „De veiligheidsdiscussie gaat vaak over ideeën die terroristen nastreven. Natuurlijk spelen die ideeën een rol, maar het schiet tekort. Miljoenen mensen hebben radicale ideeën, maar slechts een heel klein percentage daarvan gaat over tot geweld. Lang niet alle terroristen worden gedreven door overtuiging. Het proces binnen een groep is minstens zo belangrijk.”

In een groep zijn er mensen tegen wie je opkijkt, en die je na wilt doen, zegt Schuurman. „Je wilt goedkeuring of waardering van iemand die je zelf hoog in aanzien hebt.” Dat kan een broer zijn. Zo verklaarde de advocaat van Dzhokhar Tsarnaev, die de aanslag in Boston pleegde, dat zijn oudere broer de plannen had beraamd en Dzhokhar hem daarin volgde. Ook onder Nederlandse Syriëgangers zijn veel familie- en vriendenbanden. Uit Arnhem vertrok Abdelkarim el A., de oudste broer uit een Arnhems gezin. Hierna wilden zijn jongere broer en halfbroer hem volgen – ze werden tegengehouden. Uit Delft vertrok een complete vriendengroep naar Syrië; twee broers werden gezien als de leiders van de groep. Volgens Schuurman kunnen broers of vrienden elkaar over de streep trekken in het overgaan tot geweld, juist vanwege hun vertrouwensband en een subtiele vorm van groepsdruk. Schuurman: „Als jouw broer of jouw vrienden voor de goede zaak strijden, kun je zelf niet aan de zijlijn blijven staan.”