Veiligheid is belangrijk, maar de samenleving moet open durven blijven

Na de aanslag dinsdag in Brussel volgden de reacties. Premier Mark Rutte (VVD) zei: „Wij zijn met meer”. En PVV-leider Geert Wilders twitterde: „We moeten meteen onze grenzen sluiten en teruggekeerde Syriëgangers oppakken + opsluiten”. Dat is min of meer de bandbreedte waartussen een antwoord op het blinde geweld van de terreur moet worden gezocht. Immers, Rutte drukte zich weliswaar uit in de taal van een schoolpleinruzie, maar de strekking van zijn woorden komt er op neer dat een samenleving zich niet van wijs moet laten brengen door de daad van een minieme minderheid.

Wilders kiest voor de andere mogelijkheid: buitenwettelijke maatregelen onder het mom van het waarborgen van de veiligheid. Het probleem daarbij is dat een samenleving niet gedijt in de kelderkast met een vergiet op het hoofd en een kilo spliterwten onder handbereik.

Anders gezegd: na elke aanslag volgt het debat over het evenwicht dat bewaard moet worden tussen de beveiliging van de maatschappij en de vrijheid van de individuele burgers. Beperk je die vrijheden te zeer onder het motto van de bescherming van het geheel, dan hebben terroristen hun doel bereikt. Dat is namelijk een eind maken aan de manier waarop een open, democratische, westerse samenleving functioneert. Daarbij is destabilisatie door het zaaien van tweedracht een belangrijk instrument. Die tweedracht wordt bevorderd door degenen die de thema’s van terreur en immigratie door elkaar halen.

De positie van moslims, zeker als zij Marokkaanse wortels hebben, verdient extra aandacht na een terreurdaad als die in Brussel. Het is onzinnig van hen te verlangen dat zij afstand nemen van dit geweld – iets wat inmiddels wel behoort tot het vaste ritueel. Burgemeester Ahmed Aboutaleb van Rotterdam heeft mooi gesproken na de aanslagen op Parijs, en ook dinsdag liet hij van zich horen. Maar het blijft belangrijk dat iedereen zich realiseert dat alleen de IS-terroristen die de aanslag inmiddels hebben opgeëist, verantwoordelijk zijn voor hun wandaad.

Daarbij verdient ook de rol die media spelen, NRC niet uitgezonderd, de aandacht. Terreur heeft zijn effect vooral te danken aan de snelle en efficiënte wijze waarop de schok en het afgrijzen door de massamedia worden vermenigvuldigd. Media moeten zich daarvan bewust zijn en op een verantwoorde wijze omspringen met beelden, geluiden en informatie die met terrorisme zijn verbonden.

Twee dingen nemen de media de dag na elke terreurdaad in beslag: de klopjacht op de daders en het zoeken naar een verantwoordelijke autoriteit die gefaald heeft. Dat laatste gebeurt dit keer door velen die wijzen op de gebreken van de politieorganisatie van Brussel. Eerder is België in dit verband wel een ‘failed state’ genoemd. Maar alleen het feit dat de VS, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Spanje eerder aan de beurt waren, toont al aan dat dit soort oordelen onvolledig is.

Het enige waar de rij aanslagen op wijst, is de kwetsbaarheid van open samenlevingen. Die hangt nauw samen met rechtstatelijke verworvenheden die de kern uitmaken van onze manier van leven. Tegen hen die hiervoor een gevaar vormen treden de bevoegde autoriteiten terecht op met alle hardheid die de wet mogelijk maakt. Tegelijkertijd moet ervoor gewaakt worden dat de samenleving in de greep komt van een hysterie en heksenjacht, want dan hebben de terroristen gewonnen.

Het enige antwoord is dus: kalm blijven en rustig doorgaan.