Column

Orgel

Sinds het vaderschap waren de dagen als wankele staketsels waaruit maar een houtje hoefde te worden getrokken of de zorgvuldig geplande mix van zorg en werk stortte in elkaar.

Gisteren begon de dag goed. Ik zat in café Frankendael in Amsterdam-Oost de telefoongesprekken af te luisteren van een vrouw van midden veertig en had deze column in mijn hoofd al bijna geschreven.

De hypotheekverstrekker was nog maar amper open of zij was er al geweest om een handtekening te zetten. Vanachter een koffie verkeerd belde ze iedereen in haar telefoon om zich te laten feliciteren. Ik noteerde: een marmeren schouw, authentieke tussendeuren met glas in lood, een rommelzolder, een ligbad, een Frans balkon en iets goudkleurigs dat tevoorschijn kwam als je voorzichtig met een spatel door verschillende lagen behang ging.

Met elk nieuw gesprek begon de herhaling.

Hup, daar was het ligbad weer. „Nog met van die ouderwetse kraantjes”, ik wist het inmiddels. Daarna zouden de tussendeuren aan de beurt zijn geweest, als niet het nieuws in de vorm van een vriendin op laarzen deze column was komen verstoren.

„Kus-kus – gefeliciteerd – heb je het al gehoord van die aanslag in Brussel?”

„Hoeveel doden?”, vroeg de mond, terwijl de rest van haar hoofd zei dat ze het snel weer over een plafond met ornamenten en een marmeren schouw wilde hebben.

Luisteren ging niet meer. Ik verloor mezelf in het nieuws en in de meningen die over elkaar heen buitelden. Dat hadden ze bij Twitter in tien jaar tijd toch maar mooi voor elkaar gekregen, dat ik terwijl de lijken nog op straat lagen al wist dat Frans Bauer het ook erg vond.

De vrouwen rekenden af bij de bar, ik bleef achter met het nieuws in mijn telefoon. ’s Middags reed ik naar Leeuwarden, waar een licht autistische orgelbouwer op een interviewer en een fotograaf zat te wachten. In de auto luisterden we naar Studio Brussel, een ooggetuige gebruikte het prachtige woord ‘ziekenhuisauto’.

Ik belde mijn moeder die van de bommen had gehoord van de thuishulp die tijdens het inzwachtelen van benen graag de actualiteit gebruikte om de pijn weg te relativeren. De vriendin sms’te dat de baby met haar trapauto tegen een tafelpoot was gereden.

De licht autistische orgelbouwer ontving ons met thee en bonbons. Hij zag me heus wel naar de doden op de smartphone loeren en zei: „Opbergen die rotzooi, ik heb op zolder een draaiorgel staan.”

Ik kon dan wel denken dat met de bommen in Brussel de hele dag in duizend stukjes was gevallen, voor hem ging het leven gewoon door.