‘Onze jongeren slachtoffer van Syrië’

Een paar dagen geleden was het Brusselse gemeente Molenbeek toneel van een antiterreuractie. Krijgt het er nu weer van langs? „Dit probleem is naar hier gebracht.”

Het is leeg in de anders zo levendige winkelstraat in Molenbeek. Op de Gentsesteenweg zijn halverwege de middag maar een paar winkels open, waar normaal kledingrekken en pratende groepjes mensen de stoep blokkeren.

Manal Manzouk is opgetrommeld door de eigenaar van modezaak Elle om de winkel open te houden. De jonge vrouw die normaal in de winkel staat, kon Sint-Jans-Molenbeek – een gemeente in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met bijna honderdduizend inwoners– niet bereiken nu het openbaar vervoer platligt.

Manal woont om de hoek. „Maar eigenlijk was ik liever thuis.” Ze is bang voor meer aanslagen, zegt ze. Van mensen die de terreurverdachten kennen, hoorde ze dat ze meer aanslagen konden verwachten. Ze heeft nog niets verkocht vandaag en dat geldt ook voor Mohamed Jallouli van modezaak Lola, die effen vestjes in een rek aanprijst voor 5 euro. „Ik ben doodsbang”, zegt hij. Ook hij zou de winkel het liefst sluiten, zoals zijn buurman heeft gedaan, maar dat mag niet van zijn baas, die zelf niet aanwezig is.

Bang, zo voelen veel bewoners zich in het Brusselse Molenbeek. Bang voor meer aanslagen, maar ook bang dat de omvangrijke moslimgemeenschap van de Brusselse gemeente hier nu opnieuw op wordt aangekeken. Veel plegers van de aanslagen in Parijs, afgelopen november, kwamen uit deze buurt en afgelopen vrijdag nog werd terreurverdachte Salah Abdeslam hier in de wijk opgepakt.

‘Je moet praten met je kinderen’

Maar veel bewoners vinden de negatieve aandacht voor hun wijk onterecht. „Dit is geen probleem van Molenbeek”, zegt Youssef Amin nadat hij net de duiven heeft gevoerd. „Onze jongeren zijn slachtoffer van wat er in Syrië aan de hand is. Het is een extern probleem dat naar België is gebracht.” Jongeren denken volgens hem dat ze rijk kunnen worden van de strijd. „Ze willen gewoon geld, die jongeren.”

Zo redeneert ook de eigenaar van de kleine supermarkt verderop. „Jongeren willen nu alles hebben. Wij ouders waren tevreden met een eigen winkel, zij willen dure schoenen en auto’s. Ronselaars uit Syrië lokken hen met het idee dat ze daar alles kunnen bereiken.”

Hij heeft zelf een zoon van achttien en zegt dat hij zich zorgen maakt. „Het is niet alleen de schuld van de hoge werkloosheid en de overheid, ook de ouders spelen een rol. Ikzelf praat veel met mijn kinderen over de islam, mogelijke gevaren en dat je misschien niet alles kunt bereiken in je leven. Maar je moet beginnen met praten als je kinderen negen zijn, want als je pas begint als ze 18 zijn, dan is het te laat.” En ook hij zegt het: het heeft niets met Molenbeek te maken. „Die terroristen komen overal vandaan. Er wonen in Molenbeek duizenden jongeren, en er zijn er maar twintig, misschien dertig of misschien wel veertig die slecht zijn.”

Daarom valt de media-aandacht slecht in de wijk. Een bewoner die de aanslagplegers uit Parijs heeft zien opgroeien in zijn Molenbeekse straat, heeft het gehad met de televisieploegen. Iedere dag opnieuw deze week zag hij beelden langskomen van hoe Salah Abdesalam wordt neergeschoten door de politie. Dat doet hem pijn. „Dat er zo op hem geschoten werd, terwijl hij wegrende, was niet nodig geweest.” Hij roept in herinnering hoe hij de jongen dagelijks zag en is nog steeds totaal in shock dat deze bekende van hem een aanslag kon beramen. „We begrijpen het zelf ook niet.”

Het plein voor het Molenbeekse gemeentehuis is uitgestorven, op een paar televisiebusjes na. In een huurwoning aan het plein woonde de opgepakte Salah Abdeslam. Een pantservoertuig komt aanrijden, er stappen soldaten met machinegeweren uit. Aan de overkant van het plein zegt een voorbijganger dat hij net een potje medicijnen heeft gekocht. „Omdat ik helemaal in shock ben. Ik beantwoord geen vragen, ik kan er niets meer bij hebben.”

Verderop is inmiddels de basisschool aan de rand van de gemeente uitgegaan. Alle ouders moeten hoogstpersoonlijk hun kinderen komen ophalen. De directrice staat aan de poort. „Ja, u ken ik wel, loop maar door.” Aan een man verderop in de rij van wachtende ouders vraagt ze: „Wie bent u?”

Sommige kinderen moesten huilen

Eerder op de dag was de directrice alle klassen afgegaan om uit te leggen dat er nieuwe aanslagen waren gepleegd en dat de politie had gezegd dat de kinderen beter binnen konden blijven. „Sommige kinderen moesten huilen. Veel kleintjes, maar ook een paar grote”, vertelt een elfjarige.

Op school hebben de kinderen het de laatste tijd ook veel over stigmatisering gehad, zegt ze. „We hebben het er onderling over, iets minder met de juf.” De moslimkinderen uit haar klas hebben het gevoel dat zij worden geassocieerd met de terreur. „Dat klopt niet: dit is gewoon het werk van IS”, zegt het meisje. „En IS is iets heel anders dan de gewone mensen uit Molenbeek.”