Column

Om te onthouden

De hele dag moest ik steeds even denken aan de man met het zwarte hoedje. Hij liep met zijn bagagetrolley naast zijn twee kompanen op vliegveld Zaventem. Hij droeg een wit vest dat frivool afstak tegen de sombere outfit van het duo. Was hij misschien altijd de vrolijkste van het stel? Of genoot hij gewoon van het gezamenlijke uitstapje?

Er zat enige afstand tussen hem en de andere twee – een kleine meter. Was dat toeval of was hij toen al van plan hen in de steek te laten? Wist hij opeens: ik kan het niet, Allah, vergeef me? Of weigerde die stomme bom tot ontploffing te komen en moest hij zelf wegduiken voor de verwoestende explosies naast hem?

Wat zal ik verder onthouden?

De verbijsterde presentatoren in de Belgische tv-studio („Het is zo onwezenlijk, je doet altijd bericht van zoiets in het buitenland”), het gegil van kinderen in de metro, de eerste kreten in het inferno van de vertrekhal („Kan iemand me helpen?”, „Waar zijn die klote militairen?”), het moeizame Nederlands op de persconferentie („Onze gedachten gaan ook voor de mensen die nog zonder nieuws zijn”) van premier Michel, die daarmee onbewust demonstreerde dat tweetaligheid voor een land problematisch kan zijn.

Aparte vermelding verdient de tv-uitzending die de VRT, de Vlaamse omroep, ’s avonds aan de aanslagen wijdde. Er werd twee uur lang in een rustige, bedachtzame sfeer over de gebeurtenissen gesproken. In Nederland zou dat onder soortgelijke omstandigheden ondenkbaar zijn geweest; de hysterie zou in de talkshows een royale kans hebben gekregen.

Men sprak in de Vlaamse studio zeker niet zonder emotie, maar het besef overheerste dat er in het land al opwinding genoeg was. Niemand hing het opgewonden standje uit dat zijn gelijk wilde halen over de ruggen van de doden. Er was meer ontgoocheling dan woede. „Je kijkt om je heen en je weet niet meer wie je kunt vertrouwen”, zei een vrouw. „Ik ben teleurgesteld in de mens”, zei een man.

Assita Kanko, een Belgische politica en moslima, zei over de daders: „Armoede is geen excuus, en ook als je niet aanvaard wordt door een samenleving is dat nog geen excuus voor dergelijke daden.”

Het werd door niemand weersproken, al zei vicepremier Alexander De Croo later in de uitzending wel: „Wij zeggen: zij moeten onze normen en waarden aanvaarden. Dat is zo. Maar wij moeten ook niet discrimineren.” Zijn betoog stond haaks op wat Wilders in Nederland riep: „Onze grenzen sluiten en teruggekeerde Syriëgangers preventief oppakken.” De Croo zei: „De vrije samenleving moeten we niet door onze handen laten glippen. Uitsluiting is het laatste wat je moet doen. Het antwoord mag nooit even bruut zijn. We moeten de jongeren weer naar ons toetrekken, maar we moeten wel minder vrijblijvend met ze omgaan.” Zo golfden de meningen heen en weer, beredeneerd, nooit opgefokt. Er was kritiek op de Belgische politici (Kanko: „Velen ontkennen de problemen”), maar er klotste geen haat tegen de plinten, er hoefden geen Barbertjes te hangen. „Onze samenleving is sterk genoeg om het aan te kunnen”, zei journalist Rudi Vranckx.

Bart Peeters sloot af met zijn prachtlied Hemel: Want God is liefde/ En zeker geen haat/ Geen reden voor misbruik/ Of een nepkalifaat/ Het staat in de Bijbel/ En in de Koran:/ Zonder liefde kan de hemel niet bestaan.