‘Mijn twee kinderen zijn hier’

Het UMC Sint-Pieter is goed voorbereid op terreurgewonden. Na Parijse aanslagen vertelden Franse artsen er over hun ervaringen.

Foto AFP

Bij een zij-ingang van het Brusselse metrostation Maalbeek, aan de Etterbeekse Steenweg, liggen op dinsdagmiddag nog de sporen van chaos: een witte handdoek met bloed, glasscherven met bloed, drie paar blauwe, plastic handschoenen.

Met precies zulke handschoenen aan komen om half vier drie hulpverleners uit een van de kantoren van de Europese Commissie naast het metrostation. Ze duwen een brancard in een zwarte bestelbus. Op de brancard: een kist, bedekt met een zwarte, gewatteerde deken. Het is een van de zeker twintig doden die vielen bij de bomaanslag in het station.

In het Universitair Medisch Centrum Sint-Pieter, drie kilometer verderop, is er geen spoor van chaos – ook al kwam er eerder die dag een bommelding binnen en zijn de politiehonden aan het eind van de middag nog aan het werk. Vijftien gewonden van de aanslag bij Maalbeek werden naar dit ziekenhuis gebracht.

Bij de spoedeisende hulp laten bewakers familieleden van slachtoffers binnen. „Mijn twee kinderen zijn hier”, zegt een wat oudere vrouw. Een medewerker van het ziekenhuis loopt met haar mee. Familie wordt in een zaal opgevangen, waar ze meteen ook psychologische begeleiding krijgen.

Les van de Fransen

Op de verdieping van de directie vertelt Pierre Mols, hoofd van de dienst spoedgevallen, dat het ziekenhuis al snel na de explosies op de luchthaven van Zaventem te horen kreeg dat het rampenplan in werking zou treden. De operatiekamers werden klaargemaakt, geplande operaties werden uitgesteld.

Mols wist dat het Sint-Pieter zwaargewonden zou krijgen. Het ziekenhuis, zegt hij, heeft ervaring met gewonden na schietpartijen en door messteken. De gewonden van deze dag zagen eruit als oorlogsslachtoffers, zegt Mols. „Of beter: precies zoals de gewonden na de aanslagen in Parijs.”

Dat weet Mols zo goed, omdat hij al een paar weken na die aanslagen – op 13 november – collega’s uit het Parijse ziekenhuis la Pitié Salpêtrière in Brussel had uitgenodigd om te vertellen over hun ervaringen met de gewonden. In Brussel was de terroristische dreiging meteen ook al heel groot en Mols wilde dat de ziekenhuizen goed waren voorbereid. „Ik vond dat we daar snel mee moesten zijn.”

De gewonden van deze dag zagen eruit als oorlogsslachtoffers

Pierre Mols, chef spoedeisende hulp

Op een zaterdag waren zo’n vierhonderd Belgische artsen naar het Erasmus Ziekenhuis van de Franstalige universiteit ULB gekomen. De Fransen gaven er een presentatie en toonden ook foto’s.

Omdat het Parijse ziekenhuis zo groot is en veel ambulances heeft, organiseerde Mols in februari van dit jaar ook nog een bijeenkomst in de Noord-Franse stad Lille. „Dat was in omvang een beter voorbeeld voor ons.”

Precies een week geleden schreef Mols het noodplan voor de Brusselse ziekenhuizen en het ambulancevervoer. Wat er precies in stond en of de lessen op dinsdag goed in de praktijk zijn gebracht, wil Mols nog niet zeggen. „Wat het ons heeft opgeleverd, moeten we nog nagaan.”

Het UMC Sint-Pieter had vijf zwaargewonden, drie waren er wat minder ernstig aan toe, zeven waren lichtgewond. Ze waren geraakt aan hun hoofd, borst en buik. Bij één patiënt werd een schroefdraad in de schedel gevonden. „Maar we weten niet of dat van het explosief is of van iets met schroeven erin dat door de explosie is gaan rondvliegen”, zegt Inge Pastijn, hoofd van de afdeling anesthesiologie. Bij een huiszoeking in Brussel wordt later een IS-vlag en een spijkerbom gevonden.

Nog één sigaretje

Het ziekenhuis wil niet bekendmaken hoe het met de binnengebrachte gewonden gaat en of ze de operaties hebben overleefd. „Dat is niet aan ons”, zegt algemeen directeur Patrice Buyck. Het Belgische Openbaar Ministerie maakt de dodenaantallen bekend. In de ziekenhuizen onderzoekt de politie ook of de gewonden en de overleden patiënten slachtoffers zijn – of misschien zelf daders. Dat kost tijd. En het is niet de bedoeling dat artsen er iets over zeggen

Twee straten vanaf metrostation Maalbeek staan de Finse Viivi Selin (25) , student management, en de Bulgaar Svetlin Lukarov (26), medewerker bij een Luxemburgse bank. Lukarov zegt: „Je moet eigenlijk niet opschrijven dat een sigaret mijn leven redde.”

Misschien is het wel zo. Lukarov was ’s ochtends al een beetje te laat voor zijn werk, hij praatte toch nog even wat langer met zijn vriendin Viivi, nam nog één sigaret – en kwam pas bij het metrostation aan toen daar binnen nét de bom afging.

Hij zag een man naar buiten komen rennen met een wond aan zijn borst. „Twee anderen werden naar buiten gedragen. Ik hoop dat ze niet dood waren.”

    • Petra de Koning