‘Ik begon te roepen: ik kan er niet uit’

Woensdag staat Nic Reynaert weer bij Maalbeek, waar hij dinsdag aan de dood ontsnapte.

Foto AFP

Metrostation Merode in Brussel. Dit is een strategisch punt. Hier stappen veel Brusselaars op lijn vijf die naar het centrum leidt. Ook richting de Europese wijk, waar dinsdag bij station Maalbeek een bomaanslag aan minimaal twintig mensen het leven kostte. Bovengronds heeft een man het venster geopend van een reclamezuil. Hij strijkt een gloednieuw affiche glad. ‘Start breathing’, luidt de slogan van het schoenenmerk. Daarnaast de ingang van de metro. Die is gesloten. Een boomlange vent staart het zwarte gat in. „Hier stond ik gisterochtend op precies dezelfde tijd, om 09:02. Dit is mijn lijn”, zegt de man. Hij heet Nic Reynaert, 32 jaar. Hij is advocaat en woont in Brussel. Reynaert was er dinsdagochtend bij. Op de fatale metrorit.

Tekenen op een servet

We gaan in een koffiehuis op de hoek bij Merode zitten. Reynaert begint direct te tekenen op een servet. „Hier sta ik, in de derde wagon. Ik sta bij de deur. We passeren Schuman, niets aan de hand. Ik bel nog met een vriend, Tom. Hij zegt nog, ‘kijk je uit’. Hij heeft het nieuws over de aanslagen op Zaventem al gehoord. Tom heeft het niet zo op Brussel, maar voor mij is de stad de max. ‘Ik zie wel hoe ik het er levend vanaf breng’, zeg ik nog als grap. Ik berg mijn gsm op. Dan is het 09:11, station Maalbeek. En dan ‘boem’!, een enorme knal, fel en schel. Het voelt alsof ik plotseling doof ben. Er volgt een enorme steekvlam van de ontploffing. Ik zeg tegen mezelf: ‘we gaan eraan’. Daarna is er alleen maar rook, en mijn longen doen verschrikkelijk pijn. In een reflex pak ik mijn gsm en druk meteen het laatst gebelde nummer in, van Tom. Ik begin te roepen: ‘ik kan er niet uit’. Pas tien seconden later word ik rationeel en scherp.”

Raam openstampen

Reynaert pakt het servetje er weer bij. Opnieuw wijst hij: „Hier sta ik bij de deur. Aan de andere kant van het perron zie ik al mensen liggen. Zo zwaar is de explosie geweest. Ik spring op een bankje en probeer een ruit in te stampen. Het lukt niet. Ik kijk om me heen. Ik zie licht en ren er naartoe. Een Franstalige Aziatische jongen rent in mijn kielzog mee richting de trappen. ‘Blijf kalm, blijf kalm’, zeggen we tegen elkaar in het Frans. Terwijl ik ren, zie ik op het perron armen en benen liggen. Één arm zie ik nog scherp voor me. Hij is gehuld in een opvallende, parelmoerblauwe stof. De arm van een vrouw, denk ik nog. Hij ligt weggeslagen tegen de wand van de metrotunnel. Daarna weer rennen, de trappen op.”

Ik wil het weer zien, ik wil het reconstrueren

Nic Reynaert, slachtoffer Maalbeek

Oei, mijn moeder

Zijn moeder belt. „Ja, ik ga subiet naar de dokter, voor mijn longen.” Hij hervat zijn verhaal. „Oei, mijn moeder jongen”, zegt hij in typsich West-Vlaams. „Toen ze me dinsdagochtend pal na de aanslag belde, zei ik ‘ik ben veilig mam’ en hingen we op. Pas veel later op de dag heb ik haar nog een keer gebeld en alles verteld. Ze heeft alleen nog maar geweend.”

Waarom staat hij nu weer hier, op precies dezelfde plek en precies dezelfde tijd? „Hey, je moet je routine wel serieus nemen hè”, op de nuchtere toon die de West-Vlaamse humor kenmerkt. Vervolgens zegt hij: „Het moet. Ik wil het weer zien. Ik wil het reconstrueren. En nu ik met jou praat, komen allerlei beelden weer terug.”

Nooit meer met het OV

Schetsje door Nic Reynaert: X is de plek waar hij stond. Cirkels zijn stoelen. Onder probeerde hij een ruit in te stampen, rechts daarvan ziet hij licht en uiteindelijk kan hij via de uitgang boven (twee streepjes) ontsnappen.

Schetsje door Nic Reynaert: X is de plek waar hij stond. Cirkels zijn stoelen. Onder probeerde hij een ruit in te stampen, rechts daarvan ziet hij licht en uiteindelijk kan hij via de uitgang boven (twee streepjes) ontsnappen.

„Een Afghaanse jongen staat in mijn wagon rond negen uur nog prachtig gitaar te spelen. Ik heb hem vijf euro gegeven. Het zijn flarden die terugkomen. Ik ben op weg voor mijn baas richting het Hof van Beroep in Luik. Om 09:30 is mijn trein op CS. Om 10:45 zou ik in Luik aankomen. Ik moet er naar een arrest in een belangrijke zaak gaan luisteren. In mijn eerste paniek heb ik ook mijn patroon gebeld. Ik kan me alleen maar herinneren dat ik hem toeschreeuw: ‘Ik ga niet meer met het openbaar vervoer. Ik ga nooit meer. Ik ga niet naar Luik.”

Hij hervat de reconstructie weer. „Ik waggel en strompel als ik boven kom. Mijn kop doet pijn, mijn longen doen pijn, mijn oren suizen. Iedereen kijkt naar me. ‘Was da met dien?’, vraagt iemand me. Die mensen beseffen nog niet wat er net onder de grond is gebeurd. Twee mensen van een kleine supermarkt zien me op een gegeven moment op de grond zitten. Ik zie hun lippen bewegen, maar ik hoor ze niet. In de supermarkt geven ze me water en koffie.

Janken als een klein kind

Daar bel ik een vriendin, Ariadne. Ze werkt in het Europees Parlement, verderop. Pas dan komt het. Wenen. Janken als een klein kind. ‘Kom nu naar het EP’, zegt Ariadne. Daar strompel ik naartoe. Ik kan er niet naar binnen, want alles is al in ‘lockdown’. Daar bellen mensen uiteindelijk een ambulance voor me. Die hebben wel door dat ik behoorlijk in shock ben.” Hij pauzeert even.

„Ik denk dat iedereen dezelfde reflex heeft. Je denkt in een flits, heel strategisch. Je denkt: Okay, dit hebben we dus overleefd, waar is het licht? Daar moet ik naartoe. Niet meer omkijken. Doorgaan nu. Blijven doorgaan. Was ik op die vlucht wel gestopt, dan had ik staan kijken naar die afgerukte armen en benen. Dan was ik, vrees ik, bevroren.”

Verder met het leven

En nu? Ook gewoon doorgaan met het leven? „Ik denk het toch zeker?”, zegt Reynaert weer op zijn West-Vlaams. Vervolgens staart hij in het koffiehuis nog minutenlang voor zich uit. Uiteindelijk zegt hij: „Ik hoop dat ik vandaag op de een of andere manier de tunnel nog in mag. Ik wil het zien, vanwaar ik kom.”