Herrees Jezus of was het diefstal?

Een Romeinse soldaat maakt zich op om gekruisigden in een massagraf te gooien inRisen.

Pasen nadert: in Amerika hét moment om je ‘faith based movie’ te lanceren. Dit jaar neemt historisch drama Risen – waarin een Romeinse tribuun op zoek gaat naar het verdwenen lichaam van Jezus Christus – het op tegen The Young Messiah (zevenjarige Jezus reist mirakels verrichtend van Egypte naar Nazareth). Het kernpubliek, evangelische christenen, kan ook kiezen voor actuele thema’s, zoals God’s not Dead 2 (bittere atheïsten proberen God uit het openbare leven te verbannen) of Miracles from Heaven (nu al een hit: doodziek dochtertje geneest na fervent bidden).

Slechts een van die films maakt de overtocht naar heidens Europa: Risen. Omdat hij, behalve een middelgroot budget en sterke cast, vrij origineel is: dit is de eerste Jezusfilm waar de wederopstanding niet de epiloog, maar het begin is. Risen heeft in zijn eerste uur de structuur van een detective: waar is het lichaam van Jezus? De Messias is een soort MacGuffin: het plotelement – koffertje geld, geavanceerde computerchip – waar iedereen naar zoekt.

Met name de Romeinse tribuun Clavius (Joseph Fiennes) die na een gevecht met joodse zeloten net op tijd terug is in Jeruzalem om Christus aan het kruis te zien sterven. Zijn soldaten moeten het graf bewaken: de vrees bestaat dat de discipelen anders het lichaam stelen om te claimen dat hij na drie dagen is opgestaan. Als het lijk desondanks ontsnapt, geeft prefect Pontius Pilates de tribuun opdracht het te vinden voor het onherkenbaar vergaan is. Tijdens het speuren, opgraven en ondervragen rijst bij Clavius het vermoeden dat er iets wonderbaarlijks is geschied. Dat wordt een zekerheid als hij plots oog in oog staat met de levende Jezus.

Opstanding als zwaktebod

Eigenlijk is het vreemd, gezien het centrale belang van de wederopstanding in het christendom, dat zo’n film over Jezus van opstanding tot hemelvaart nu pas wordt gemaakt. Misschien ervaren christenen dat wonder toch ook als zwaktebod: de herrezen Christus verscheen vrijwel alleen aan zijn volgelingen. Die moeten wij maar op hun woord geloven.

Toen Hollywoods spektakelkoning Cecil B. DeMille in 1926 cast en crew bijeenriep voor zijn klassieke Jezusfilm The King of Kings, bekende hij dat de wederopstanding hem altijd dwarszat. „Ik dacht vaak: misschien hebben Zijn discipelen Hem wel uit het graf gestolen.” Dat werd christenen ook van oudsher door joodse tegenstanders verweten, getuige het evangelie van Mattheüs (28:11-15). Daar betaalt het Sanhedrin, de Joodse priesterkaste, de Romeinse wachters bij Jezus’ graf om te verklaren dat de discipelen zijn lichaam stalen terwijl zij sliepen. En dat beweren de Joden tot op dedag van vandaag, aldus Mattheüs.

In 1926 stelde Cecils oudere broer William DeMille dat je in de wederopstanding gelooft of niet: een film zal niemand op andere gedachten brengen. Toch wel, vond Cecil: wat een mens ziet gebeuren, ook op het witte doek, gelooft hij onderbewust. In The King of Kings herrijst Jezus met veel fanfare: in sneeuwwitte mantel en in een halo van licht mengt hij zich onder de treurende discipelen: zoiets als witte Gandalf in Lord of the Rings. Zo niet in Risen, waar de herrezen Jezus het juist heel aards houdt. Hij is etnisch – acteur Cliff Curtis (Dark Horse) is Maori – en een knuffelbeer die een visje verorbert en de discipelen goedgemutst zijn stigmata laat betasten.

Bekeringsepos

Met zijn focus op de Romeinse tribuun Clavius is Risen een variant op het bekeringsepos, populair in de jaren vijftig. In films als The Robe of Quo Vadis ziet een ambitieuze, cynische heiden, liefst een Romeins militair, het licht en wordt ‘born again christian’. George Clooney gaf onlangs in Hollywoodkomedie Hail Caesar! een fraaie persiflage van het moment van bekering: gelaat richting hemels licht, vragende ogen, trillende onderlip. Kennelijk is het tijd dit oude filmgenre af te stoffen: in augustus volgt de zesde remake van klassieker Ben Hur. Maar in Risen is de Romein niet zozeer bekeerling als wel sceptische getuige. Die, zoals elke filmdetective voor hem, constateert dat de simpele oplossing – de discipelen stalen Jezus’ lichaam – niet de juiste blijkt te zijn.

Jezus’ rol blijft passief: eerst is hij MacGuffin, daarna reisdoel. Want tribuun Clavius volgt de discipelen, levendige positivo’s die het ook niet begrijpen, naar een rendez-vous aan het meer van Tiberias. Daar volgen wonderen en hemels vuurwerk en krijgen de discipelen opdracht het woord te verspreiden. Maar ook daar is Jezus eerder luisterend oor dan prediker, altijd bereid tot een therapeutisch gesprek.

Risen wordt tegen het eind meer bewegend bidprentje, maar nooit hemeltergend saai omdat hij met mate predikt en de vaart erin houdt. Een welkome afwisseling in het nogal voorspelbare Jezusgenre, maar of deze film heidenen bekeert? Dat nou weer niet. Uiteindelijk predikt Risen vooral tot de gelovigen, om hun geloof te sterken.