Dit zijn ook tekeningen

Tekenen Het kan ook met steen, verf of folie. Alles mag, behalve gewoon ouderwets tekenen. Dat is de indruk die je krijgt als je naar ‘Drawing Front’ gaat, een tekenmanifestatie met locaties in heel Nederland.

BEELD IRINA BIRGER

‘Teekenen is spreken en schrijven tegelijk’, staat er op de gevel van de Teekenschool bij het Rijksmuseum. Een ronkende, maar raadselachtige zin. Bedoeld wordt, vermoed ik, dat tekenen zoiets is als schrijven, en dat de geoefende tekenaar beelden schrijft zoals hij zinnen zegt. Met hetzelfde gemak. Want praktisch gezien komt er bij tekenen haast niets kijken. Schilderen of beeldhouwen vergt een hoop voorbereiding, maar een tekening kun je al maken met een stok in het zand of een balpen op een bierviltje. Tekenen is direct, persoonlijk, informeel. Dat is ook wat verzamelaars van oude tekeningen altijd heeft aangesproken. Dichter bij een grote meester kun je niet komen.

Nou hebben de schilder- en beeldhouwkunst in de afgelopen eeuw natuurlijk stevige concurrentie gekregen: van de fotografie, van de video-, installatie- en conceptkunst. Het tekenen is op de achtergrond geraakt. Maar op die achtergrond zijn er nog altijd kunstenaars verwoed met potlood, krijt en inkt in de weer. Ook in ons land, waar onder anderen Robbie Cornelissen, Jacobien de Rooij, Marcel van Eeden en Raquel Maulwurf bekendstaan als tekenaars pur sang. En er zijn tentoonstellingsmakers die het tekenen steeds naar voren blijven schuiven: de Amsterdamse galeriehoudster Oeke Witteveen, de mensen achter de jaarlijkse kunstbeurs Amsterdam Drawing, beeldend kunstenaar Manja van der Storm met haar reizende tekenaarscircus Het Tekenkabinet en – misschien wel de belangrijkste ambassadeur van de hedendaagse tekenkunst in Nederland – Arno Kramer van de Kunstvereniging Diepenheim en het daaraan gelieerde Drawing Centre.

‘Het is niet voor niets dat halve zolen al snel naar een potlood grijpen en een vel vol gaan maken’

Nu heeft Kramer, samen met collega Nanette Kraaikamp, het initiatief genomen tot Drawing Front, een landelijke manifestatie waaraan twintig kunstenaarsinitiatieven meedoen. Van Den Haag tot Enschede en van Maastricht tot Groningen zijn er exposities, workshops en lezingen, deze hele lente lang. ‘De tekening is geëmancipeerd’, schrijft kunstcriticus Frits de Coninck in het magazine bij de manifestatie. ‘De eigentijdse tekening doet er echt toe. Ze bestaat (weer) als genre, ze wint aan populariteit bij verzamelaars en wordt dus graag getoond op kunstbeurzen.’

„De tekenkunst heeft weer status, ja”, zegt Arno Kramer tijdens het inrichten van de Diepenheimse Drawing Front-tentoonstelling. „Behalve – en die noot wil ik wel even kraken – in de musea. Het ene na het andere museum sluit zijn tekeningenkabinet. Alleen Teylers Museum in Haarlem toont af en toe hedendaagse tekeningen, nu bijvoorbeeld uit de verzameling van Bart Spoorenberg. Maar echt substantieel zie je ze nergens.” Hij grijnst als hij zegt: „Ik kan daar dagen over klagen.”

Wie een paar haltes van Drawing Front bezoekt, begrijpt al gauw dat tekenkunst tegenwoordig een rekbaarder begrip is dan in de tijden van Leonardo, Dürer en Ingres. Behalve met potlood en houtskool wordt er ook gewerkt met verf, draad, plastic en aluminiumfolie. En de drager hoeft al lang geen plat vel papier meer te zijn. Je kunt ook op hout, steen of papier-maché tekenen; je kunt de tekening opvatten als een object. Raquel Maulwurf peutert het papier plaatselijk open, zodat er bijvoorbeeld sterren als wit poeder door een sterrennacht van houtskool breken. Kim Habers snijdt de lijnen van haar tekeningen los met een mesje, wat een driedimensionale wirwar van dunne papiersnippers tot gevolg heeft.

Veel bossen en groeisels

De tekenkunst is ook ambitieuzer geworden, lijkt het. Er wordt met grote bedoelingen getekend op forse formaten. Daarbij valt op hoe veel tekenaars zich met bossen bezighouden – met boomstammen, bladeren en bosgrond, in werken als grote groeisels waarin vele weken geteken gaat zitten. „Van dichtbij zie je helemaal niet wat je doet”, zegt Gam Bodenhausen, die de afgelopen week op de bovenverdieping van de Kunstvereniging Diepenheim aan twee uitdijende potloodtekeningen heeft gewerkt. „Je verdrinkt erin, bent steeds dezelfde structuren aan het herhalen. Pas als je een paar stappen terug doet, zie je het geheel en de ruimtewerking.”

„Het lijkt een tendens”, zegt Arno Kramer. „Dat focussen op de stilte en de natuur, op organische beelden waarin de mens ontbreekt. Op isolement dus eigenlijk. Tekenen heeft sowieso iets geïsoleerds, iets outsiderachtigs. Het is niet voor niets dat halve zolen in psychiatrische klinieken al snel naar een potlood grijpen en een vel vol gaan maken.”

Van oudsher bieden tekeningen een kijkje in het hoofd van de kunstenaar. Maar in dat hoofd gebeurt tegenwoordig wel iets anders dan vroeger. De meeste oude tekeningen waren niet (of niet in de eerste plaats) als kunst bedoeld: er werd een altaarstuk of muurschildering uitgedacht, een houding of lichaamsdeel bestudeerd. In veel hedendaagse tekeningen zien we wat er zich afspeelt in de hoofden van kunstenaars voor wie de tekening een kunstwerk op zichzelf is. We zien abstracties en fantasiewerelden. Strakke patronen. IJle figuurtjes of dieren in verdunde inkt. Grondig uitgewerkte ruimtes en landschappen, van tevoren geconstrueerd of in de loop van weken ontstaan. Bijna alles is uyt de geest gemaakt, zoals dat in de zeventiende eeuw heette, en niet nae ’t leven.

Manja van der Storm, die met haar Tekenkabinet is neergestreken in Nieuw Dakota, een tentoonstellingsruimte in Amsterdam-Noord, heeft voor Drawing Front werken op klein formaat geselecteerd van 85 Amsterdamse kunstenaars. Modeltekenen vindt ze niet zo interessant. „Ik zoek meer de kúnst van het tekenen, en dan kom je vanzelf bij het cerebralere werk terecht.”

„Waar trek je de grens?”, vraagt Nanette Kraaikamp van het Drawing Centre zich hardop af. ‘Laat je alleen de beeldende kunst zien, of ook de meer toegepaste tekenkunst? Striptekenen of illustratie, dat vind ik een ander domein. En als je modeltekeningen gaat betrekken in zo’n tekenkunsttentoonstelling, dan kun je net zo goed zeggen: ik hang een wandje met Sikkens-verfkleuren op als ik een tentoonstelling van schilderkunst maak.”

Erik Mattijssen maakt bontgekleurde stillevens. Tekeningen als marktkramen of kringloopwinkels, waarin wasmanden en emmers van felgekleurd plastic, lappen, linten en bollen wol zijn uitgestald. Je blijft kijken, naar de afgebeelde spullen maar ook naar de tekenkunstige kant, naar de afwisseling van vormen en kleuren. Uitbundig werk is het. Werk dat je toelacht. Het hangt nu bij Plaatsmaken in Arnhem, ook een Drawing Front-locatie. „Ik word altijd erg vrolijk van jouw tekeningen”, zei ik tegen hem. „Dat is mooi”, zei hij. „Maar het is natuurlijk niet genoeg.”

Mag het niet opwekkend zijn?

Daar moest ik even over nadenken. Want hoezo is het niet genoeg als een kunstenaar iets te bieden heeft dat mensen onmiddellijk ráákt, dat hen opwekt als ze moe of chagrijnig zijn? Iets feestelijks, waarin mooie of lelijke spullen – wat doet het er ook toe – ironieloos bijeengesprokkeld, geordend, aangezet of vereenvoudigd zijn in pastelkrijt, potlood en gouache? Iets eigens, dat de kijker toch ook ruimte biedt voor persoonlijke associaties die al jaren niet meer waren opgeroepen, en dat zich verstaat met andere uplifting kunst – van Hockney bijvoorbeeld, of van Bonnard. Redenen te over om je heil in zulke kunst te zoeken. En die opwekkende werking zou dan niet genoeg zijn?

Ja, de tekening is geëmancipeerd. Maar er dreigt met die emancipatie ook iets verloren te gaan. Het wordt nu allemaal wel érg serieus. Men kijkt voortdurend mee over de eigen schouder (en die van de ander): is dit wel kunst genoeg? De tekenaarswereld is diverser en ambitieuzer geworden maar, zo lijkt het, ook wat benauwder en verkrampter. Het plezierige, informele karakter van het medium – alles mag, doe alsof je thuis bent – raakt in de verdrukking. Ik begin de schetsboekmentaliteit te missen, de simpele studies van een toevallig stilleven, het uitzicht uit een raam, het eigen gezicht in de spiegel. Het doelloze gedroedel. Ik mis de strips en de modeltekeningen, die niet mogen meedoen, want: ander domein. Misschien is tekenen iets te veel kunst aan het worden, in plaats van een bezigheid die op schrijven en praten lijkt.