Went terreur voor de inwoners van Brussel?

Opnieuw geldt in Brussel het hoogste dreigingsniveau, net als na de aanslagen in Parijs in november vorig jaar. Toen duurde het bijna een week voordat de scholen en winkels weer opengingen. Kan een stad daaraan wennen?

Een militair in de straten van Brussel. FOTO PHILIPPE HUGUEN / AFP

Er zijn Brusselaars die denken dat hun stad er al aan begint te wennen: leven met de dreiging van terreur. Het hoogste dreigingsniveau geldt, net als na de aanslagen in Parijs in november vorig jaar. Maar toen duurde het bijna een week voordat de scholen en winkels weer open gingen en het openbaar vervoer op gang kwam. Nu waren de aanslagen in Brussel zelf en de politie zoekt nog naar verdachten. Maar Brusselse scholieren gaan op woensdagochtend gewoon met de bus naar school.

Zo simpel is het niet, zegt Ariane Bazan, hoogleraar klinische psychologie aan de Franstalige universiteit ULB. „Aan angst en geweld kun je nooit wennen.”

Er zal geen Brusselaar zijn die de komende tijd zorgeloos in een volle metro stapt

Er zal ook geen Brusselaar zijn die de komende tijd zorgeloos in een volle metro stapt. „Ikzelf ook zeker niet.”

Volgens Bazan zit het anders. „De verbijstering over de Tweede Wereldoorlog was zo collectief en zo groot, dat we daarna een lange periode van relatieve rust hebben gehad. Met het idee: nooit meer oorlog. Waar we nu in terecht komen, is misschien wel het gewone geweldsniveau. De geschiedenis van de mensheid is altijd zó gewelddadig geweest en mensen hebben daar dus altijd mee om moeten gaan.”

En dan is ‘wennen’ niet het juiste woord. „We moeten het idee opgeven dat we alles onder controle hebben en onszelf tegen onheil en ellende kunnen beschermen. Het is ook niet zo dat je gespaard kunt worden als je je best doet. Er is geen eerlijkheidsprincipe.” Mensen kunnen er ook sterk van worden. „Als jijzelf niet wordt getroffen, moet je er wel staan voor de ander.”

Steeds meer angst en paniek

Bij de spoedeisende hulp van de afdeling psychiatrie, in een Brussels ziekenhuis, ziet de Nederlandse psychiater-in-opleiding Michiel van Kernebeek de angst en paniek toenemen. „Na de schietpartij in Vorst was het opeens veel drukker.”

In die Brusselse gemeente schoot de politie vorige week een terrreurverdachte dood. Het is vaker zo dat psychisch kwetsbare mensen reageren op de actualiteit, zegt Van Kernebeek. „Je gaat dan nooit helemaal mee in hun waan. Je probeert hen ook gerust te stellen.” Dat is makkelijker bij patiënten die denken dat ze worden bespioneerd door de Amerikaanse geheime dienst dan bij patiënten die misschien gewoon gelijk hebben: de terreur is er echt. „Ik zeg dan wel: het ziekenhuis wordt bewaakt door militairen, de mensen hier zijn beschermd. Het gaat er om: de dreiging kan reëel zijn, maar gaat iemand er ook op een reële manier mee om?”

Bij een stage in Amsterdam maakte Van Kernebeek mee dat een man op straat had geroepen: ‘Ik ben een antiterreureenheid en draag een bomgordel.’ „Als hij dat nu had gezegd in Brussel of Parijs, was hij waarschijnlijk neergeschoten en niet opgenomen in een psychiatrische instelling. Het wordt nu dus heel gevaarlijk voor deze mensen.”

Zou de dreiging misschien wel wennen als je minder kwetsbaar bent? „Ik zie dat de vrienden die ik heb in Parijs nog steeds op hun qui-vive zijn als er wordt geschreeuwd op straat. Ik ben er zelf ook nog steeds niet aan gewend dat ik elke dag bij het ziekenhuis een militair in de ogen kijk.”

‘Moet jij daar niet wegwezen?’

Maar toen Van Kernebeek anderhalve week geleden in de Brusselse metro zat en vóór zich een auto dwars over de rails zag staan, duurde het even voordat hij dacht: dit zou gevaarlijk kunnen zijn. „Ik was vooral geïnteresseerd, ik dacht: wat gebeurt hier?”

De man in de auto, die per ongeluk in het ondergrondse netwerk was terechtgekomen, raakte in paniek door de politie om hem heen en deed de deuren op slot. „Ik zat met een vriend aan de telefoon en die zei: moet jij daar niet wegwezen?”

Of hij nu anders zou reageren, na de aanslag in metrostation Maalbeek op woensdag? „Ik hoop van niet. Maar je weet het natuurlijk nooit. Voor hetzelfde geld zou ik nu denken: ik ga dat laatste stukje toch maar lopen.”