Traditionele muziek zonder oriëntalistische bijklank

Het is ondenkbaar dat het orkestrale klankreservoir ooit raakt uitgeput. Al was het maar omdat componisten soms briljante wijzigingen aanbrengen in de vaste bezetting. Neem Asie van Richard Rijnvos, dat in de ZaterdagMatinee in première ging. In dit derde deel van de cyclus Atlas blijven hoorn, klarinet en fagot achterwege, plaatsmakend voor cimbalom en prepared piano die extra slagkracht leveren.

Rijnvos wekt expliciet de traditionele muziek van Japan, Bali en Korea tot leven, maar weet een oriëntalistische bijklank dankzij serieuze musicologische voorkennis te vermijden. De kitsch die aan de behagende muziek van de Chinees Tan Dun kleeft, houdt Rijnvos beter op afstand.

De mysterieuze prelude verdient de titel ‘late lentebries’ alleen al dankzij het geritsel van schelpen en aangezwengelde ‘whizzers’. Wat volgt: een met slagwerk omlijst orkestraal Japans mondorgel, een pompend deel met Balinese gamelanmuziek en schurende Koreaanse hofmelodieën in houtblazers en gedempte trompet.

Het Radio Filharmonisch Orkest liet de solide uitvoering magisch verdampen in de postlude ‘vroege zomerregen’, die met verfijnde belletjes verkoeling gaf. Daarna bewees Ravels Pianoconcert in G dat je ook met veel minder middelen kunt toveren. Pianist Javier Perianes mengde zo voortreffelijk met het orkest dat hij bijna vergat solist te zijn.